Vergoeding HAIO

ASGB-BERICHT 2020.022
Icoon thema honorarium

 

Geachte collega

In het BS van 20/1/2020 verscheen een KB i.v.m. de vergoeding van de HAIO.

met collegiale groeten, het ASGB-bestuur

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

15 DECEMBER 2019. - Koninklijk besluit van 15 december 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 juli 2009 tot vaststelling van het bedrag en de betalingsmodaliteiten van de vergoeding voor de kandidaat-huisartsen

FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, artikel 55, §§ 1 en 3, laatst gewijzigd bij de wet van 11 augustus 2017;
Gelet op het koninklijk besluit van 17 juli 2009 tot vaststelling van het bedrag en de betalingsmodaliteiten van de vergoeding voor de kandidaat-huisartsen.
Gelet op het advies van de Nationale commissie artsen-ziekenfondsen van 24 september 2018;
Gelet op het advies van de Commissie voor begrotingscontrole, gegeven op 20 februari 2019;
Gelet op het advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, gegeven op 25 februari 2019;
Gelet op het advies van de Inspecteur van financiën, gegeven op 17 april 2019;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 25 september 2019;
Gelet op advies 66.615/2/VR van de Raad van State, gegeven op 25 november 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Artikel 2, § 3. van het koninklijk besluit van 17 juli 2009 tot vaststelling van het bedrag en de betalingsmodaliteiten van de vergoeding voor de kandidaat-huisartsen wordt vervangen als volgt:
" § 3 Voor de kandidaat-huisarts voor wie de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde minstens 3 jaar bedraagt, wordt de in § 1 bedoelde vergoeding maximaal driemaal toegekend. In de overige gevallen wordt deze vergoeding maximaal tweemaal toegekend."
Art. 2. Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 4. Om het aantal kandidaat-huisartsen te bepalen dat per coördinatiecentrum voor de betaling van de vergoeding in aanmerking komt, deelt elk coördinatiecentrum tegen uiterlijk 31 december van het startjaar van het academiejaar aan de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de volgende gegevens mee per kandidaat-huisarts met wie het een coördinatie-overeenkomst heeft afgesloten:
1° naam, voornaam en RIZIV-identificatienummer;
2° datum van aanvang en van beëindiging van de stageperiode;
3° een indicatie van het al dan niet volgen van een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde die minstens 3 jaar bedraagt."
Art. 3. Artikel 5, § 1, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"1° a) Tot en met het academiejaar 2019-2020 wordt uiterlijk op 1 juli van het startjaar van het academiejaar een bedrag betaald dat overeenkomt met de individuele vergoeding bedoeld in artikel 2, § 1 van dit besluit vermenigvuldigd met de helft van de som van volgende aantallen:
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
b) Voor het academiejaar 2020-2021 wordt uiterlijk op 1 juli 2020 een bedrag betaald dat overeenkomt met de individuele vergoeding bedoeld in artikel 2, § 1 van dit besluit vermenigvuldigd met de helft van de som van volgende aantallen:
- het voor 2020 vastgelegde minimaal aantal kandidaten, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- het voor 2019 vastgelegde minimaal aantal kandidaten, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- de helft van het voor 2018 vastgelegde minimaal aantal kandidaten, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
c) Vanaf het academiejaar 2021-2022 wordt uiterlijk op 1 juli van het startjaar van het academiejaar een bedrag betaald dat overeenkomt met de individuele vergoeding bedoeld in artikel 2, § 1 van dit besluit vermenigvuldigd met de helft van de som van volgende aantallen:
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
2° a) Tot en met het academiejaar 2019-2020 wordt uiterlijk op 31 januari van het eindjaar van het academiejaar een bedrag betaald dat overeenkomt met de individuele vergoeding bedoeld in artikel 2, § 1 van dit besluit vermenigvuldigd met 5/12de van de som van volgende aantallen:
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
b) Voor het academiejaar 2020-2021 wordt uiterlijk op 1 januari 2021 een bedrag betaald dat overeenkomt met de individuele vergoeding bedoeld in artikel 2, § 1 van dit besluit vermenigvuldigd met 5/12de van de som van volgende aantallen:
- het voor 2020 vastgelegde minimaal aantal kandidaten, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- het voor 2019 vastgelegde minimaal aantal kandidaten, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- de helft van het voor 2018 vastgelegde minimaal aantal kandidaten, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
c) Vanaf het academiejaar 2021-2022 wordt uiterlijk op 31 januari van het eindjaar van het academiejaar een bedrag betaald dat overeenkomt met de individuele vergoeding bedoeld in artikel 2, § 1 van dit besluit vermenigvuldigd met 5/12de van de som van volgende aantallen:
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
- het minimaal aantal kandidaten vastgelegd voor het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het academiejaar start, geattesteerd door de in het coördinatiecentrum vertegenwoordigde universiteiten;
3° Uiterlijk op 15 juni van het eindjaar van het academiejaar wordt het saldo van de vergoedingen betaald, op voorwaarde dat het coördinatiecentrum aan de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een geactualiseerde lijst heeft overgemaakt van de gegevens bedoeld in artikel 4 van dit besluit."
Art. 4. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 5. De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 15 december 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
M. DE BLOCK

ASGB-BERICHT

2020.104

 

De Vlaamse regering voert een bezuiniging door van 6% in het Impulsfonds.

Uit een eerdere studie wisten we al dat de vestigingspremie in zijn huidige vorm het probleem van het gebrek aan vestigingen in huisartsarme zones niet aanpakt.

O.a. daarom werd in overleg met de beroepsgroep in 2019 een document afgewerkt (‘Multidisciplinaire praktijkvormen en zorgcapaciteit ondersteunen’), waarin voorstellen staan om tot een andere definitie van huisartsarme zones te komen en de vestigingspremie op een andere manier toe te kennen.

2
ASGB-BERICHT

2020.112

 

Er is nu ook een oplossing beschikbaar voor artsen die niet beschikken over EMD-software om de elektronische formulieren in te vullen die nodig zijn om de contactopvolging te starten (en die de verplichte melding vervangen). 
Hieronder vindt u de instructies.

BELANGRIJK: Enkel gedurende de COVID19 crisis wordt de toepassing gratis aangeboden. Nadien wordt de Hector licentie geschrapt of indien gewenst omgezet in een betalende licentie (25€ per maand).

0
ASGB-BERICHT

2020.111

 

In de werkgroep klinische biologie van de TGR zijn momenteel deze dossiers voorwerp van discussie (screening na beenmergtransplantatie en respiratoir panel). Zie de documenten in bijlage.

Een beslissing werd uitgesteld in afwachting van voorstellen om beide dossiers (en de er aan verbonden vergoedingen) beter op mekaar af te stemmen.

Er is een aanzienlijke budgettaire impact en het risico op overconsumptie moet van in het begin beperkt worden.

 

Graag kregen we hiervoor uw input.

0