edische verkiezingen 2010.8. Levenseinde

ASGB-BERICHT

Medische verkiezingen 2010.8 Kartel (ASGB-GBO)

Levenseinde


Voor het ASGB zijn euthanasie en handelingen bij het levenseinde geen thema’s om zich syndicaal te profileren.
Een artsensyndicaat kan niet namens de individuele leden een standpunt innemen over ethische maatschappelijke problemen die niet behoren tot de doelstellingen van het syndicaat. Er moet wel over gewaakt worden dat de beroepsbelangen niet geschaad worden.
Al lang realiseert men zich dat het verloop van het levenseinde in meerdere of mindere mate medisch kan worden beïnvloed. Men beschouwt het niet (meer) als vanzelfsprekend dat de artsen alléén de beslissingen nemen. De wens van de patiënt zelf is nu de beslissende factor. De huidige wetgeving en het huidige registratiedocument bieden aan de patiënt de garantie dat de euthanasie zal worden uitgevoerd volgens de zorgvuldigheidsvereisten. Een Federale Controle- en Evaluatiecommissie ziet toe op de naleving van de wet die intussen algemeen maatschappelijk aanvaard lijkt.
Op dit moment is een discussie gaande of de wet moet worden uitgebreid. Zo ja, dan zal het ASGB er blijven op toezien dat er voldoende garanties zijn voor elke arts om een euthanasie in eer en geweten uit te voeren of te weigeren, zonder vrees voor gerechtelijk ingrijpen achteraf.
De euthanasiewet volstaat echter niet om aan de wensen van alle patiënten tegemoet te komen. Het wordt bv. algemeen als goed medisch handelen aanzien om af te zien van therapeutische hardnekkigheid. Hulp bij zelfdoding en staken van uitzichtloze medische en paramedische zorg die slechts de verlenging van het lijden tot gevolg hebben, vallen niet onder de noemer euthanasie en zijn ook niet wettelijk geregeld. Het gevolg is dat artsen die hun verantwoordelijheid t.o.v. hun patiënten opnemen soms volledig ten onrechte en met veel mediatieke aandacht gerechtelijk vervolgd worden.
Een oplossing kan zijn om bij een ongeneeslijke ziekte met een onafwendbaar ongunstige evolutie in het vooruitzicht, de morele en juridische verantwoordelijkheid niet langer door één arts alleen te laten dragen. Een beslissing kan ondersteund worden door een college van artsen, bestaande uit de behandelende arts en één of twee artsen deskundig in de betreffende pathologie. Het besluit moet genomen worden na volledige kennisname van het medisch dossier, en moet hierin gemotiveerd neergeschreven worden. Het zou daarom onaanvaardbaar zijn om de sereniteit en de delicate context van dergelijke beslissing te situeren in een kader dat buiten de professionele bevoegdheid valt.
Het lijkt ons niet mogelijk om alle handelingen rond het levenseinde verplicht te registreren. Misschien kan het veralgemeend invoeren van een "levenstestament", waarin een patiënt aangeeft waar voor hem in een aantal omstandigheden de grenzen liggen, het taboe helpen opheffen.

De verloning van de huisarts bij de palliatieve verzorging is adequaat. Alleen het bedrag voor een bezoek aan een patiënt in een palliatieve eenheid moet omhoog. De verhoogde terugbetaling voor een palliatieve patiënt in een RVT is inmiddels op initiatief van het ASGB gerealiseerd. Voor euthanasie is tot nu toe geen enkele vergoeding voorzien, hoewel dit veel tijd en energie vraagt.
Recent onderzoek toonde aan dat weinig artsen op de hoogte zijn van de juiste procedures. Daarom is een initiatief als de vorming van LEIF-artsen toe te juichen. Zij kunnen collega's, die dat wensen, raad geven en steunen. Ook kunnen zij als tweede raadgevende arts optreden en garantie bieden dat het euthanasieverzoek werkelijk gegrond is, of dat de palliatieve piste best eerst verder geëxploreerd wordt.

Het ASGB vraagt daarom een vergoeding voor dit optreden als tweede raadgevende arts.
 

2026.048

Nieuwe vergoedingsregels bij radiofrequente ablatie van schildklierpathologie

 

Op 4 mei 2026 werd een Ministerieel Besluit gepubliceerd i.v.m. de tegemoetkoming voor invasieve hulpmiddelen bij radiofrequente ablatie van schildklierpathologie.

Het besluit bevat criteria die gelden voor de verplegingsinrichting, voor de patiënt en voor het hulpmiddel zelf.

Daarnaast bevat het regels over de attestering en de aanvraagprocedure.

Het besluit is in voege getreden op 1 april 2026. 

In de pdf als bijlage bij dit bericht vindt u de tekst ervan. 

2026.047

Nieuwe nomenclatuur i.v.m. spirometrie en ergospirometrie vanaf 1 juni 2026

 

Op 30 april 2026 werd een KB met besparingsmaatregelen i.v.m. spirometrie en ergospirometrie gepubliceerd.

Aanleiding was de vaststelling door de DGEC van een reeks niet-conforme aanrekeningen en cumuls (waarover ook heel wat discussie bestond).

Het Kartel heeft de aandacht gevestigd op de onderwaardering van de ergospirometrie en vroeg daarvoor een beperkt bijkomend budget in de behoeftenfiches voor 2026 (zie wordfile als bijlage bij dit bericht). 

We werden daarin echter niet gevolgd door de andere partners.

 

2026.046

Gewijzigde toepassingsregel in de klinische biologie vanaf 1 juni 2026

 

Op 30 april 2026 werd een KB gepubliceerd over een gewijzigde toepassingsregel in de nomenclatuur klinische biologie die in voege zal treden op 1 juni 2026.

Het gaat om de schrapping van de verstrekking 552016-552020 uit het cumulverbod van de verstrekking 557314-557325.

  • * 552016 552020 Opzoeken van infectieuze agentia met een immunologische techniek
  • * 557314 557325 Opsporen van minstens het SARS-CoV-2 virus door middel van een techniek van moleculaire amplificatie