Wijziging impulsfonds

ASGB-BERICHT ASGB-BERICHT 2020.138
Icoon thema financiering

Geachte collega

In het BS van 30/6/2020 verscheen een Besluit van de Vlaamse regering i.v.m. een aanpassing van het Impulsfonds, met name de afschaffing van de vestigingspremie.

met collegiale groeten, het ASGB-bestuur

 

VLAAMSE OVERHEID

26 JUNI 2020. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan, wat betreft de afschaffing van de vestigingspremie

Rechtsgrond
Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 26 april 2019 betreffende de organisatie van de eerstelijnszorg, de regionale zorgplatformen en de ondersteuning van de eerstelijnszorgaanbieders, artikel 8, tweede lid.
Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, heeft zijn akkoord gegeven op 6 mei 2020.
- Er is op 18 mei 2020 bij de Raad van State een aanvraag ingediend voor een advies binnen 30 dagen, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Het advies is niet meegedeeld binnen die termijn. Daarom wordt artikel 84, § 4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toegepast.
Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding.
Na beraadslaging,
DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:
Artikel 1. In artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 2015, worden punt 3° en punt 6° opgeheven.
Art. 2. In artikel 3, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit wordt het bedrag "15.000" vervangen door het bedrag "35.000".
Art. 3. Artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 2015, wordt opgeheven.
Art. 4. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 5. In artikel 6 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 6. In artikel 7 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 7. Erkende huisartsen die zich voor 1 juli 2020 in een individuele of een groepspraktijk hebben geïnstalleerd, behouden het recht op de tussenkomst van het Impulsfonds in de installatie van huisartsen, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan, zoals van kracht op 30 juni 2020, onder de volgende voorwaarden:
1° de installatie voldoet op 30 juni 2020 aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 1, van het voormelde besluit, zoals van kracht op 30 juni 2020;
2° de aanvraag van de tussenkomst wordt ingediend voor 1 augustus 2020.
Art. 8. Tussenkomsten van het Impulsfonds in de installatie van huisartsen als vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit, zoals van kracht op 30 juni 2020, die voor 1 juli 2020 nog niet definitief verworven zijn, blijven onderworpen aan de regelgeving die van toepassing is op 30 juni 2020.
De zones, vermeld in artikel 4, 5 en 6, zoals van kracht op 30 juni 2020, die gelden op 30 juni 2020 blijven van toepassing op de tussenkomsten van het Impulsfonds in de installatie van huisartsen als vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit, zoals van kracht op 30 juni 2020, die nog niet definitief verworven zijn.
Art. 9. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2020.
Art. 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 26 juni 2020.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
J. JAMBON
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding,
W. BEKE

 

 

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

23 MAART 2012. - Koninklijk besluit tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 36duodecies, ingevoegd bij de programmawet van 24 juli 2008;
Gelet op de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, artikel 74, § 1, 8°, gewijzigd bij de wetten van 8 april 2003 en 27 december 2005;
Gelet op het koninklijk besluit van 15 september 2006 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan;
Gelet op de adviezen van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, gegeven op 6 juli 2009 en 29 maart 2010;
Gelet op de adviezen van de Commissie voor begrotingscontrole, gegeven op 9 december 2009 en 24 november 2010;
Gelet op de adviezen van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging gegeven op 14 december 2009 en 29 november 2010;
Gelet op de adviezen van de Inspecteur van Financiën, Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, gegeven op 10 februari 2011 en 23 mei 2011;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, Federale Overheidsdienst Financiën, gegeven op 28 maart 2011;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, Federale Overheidsdienst Werkgelegeneid, Arbeid en Sociaal overleg, gegeven op 26 januari 2011;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, gegeven op 25 februari 2011;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 18 januari 2012;
Gelet op het voorafgaand onderzoek met betrekking tot noodzaak om een effectbeoordeling uit te voeren, waarin besloten wordt dat een effectbeoordeling niet vereist is;
Gelet op advies 50.879/2 van de Raad van State, gegeven op 15 februari 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken, van de Minister van Financiën, van de Minister van K.M.O.'s, Zelfstandigen en van de Minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK 1. - Definities en algemene bepalingen
Artikel 1. § 1. Er wordt een Impulsfonds opgericht voor de huisartsgeneeskunde dat is bestemd voor de financiering van maatregelen ter ondersteuning van de huisartsgeneeskunde, die tot doel hebben huisartsen aan te zetten een huisartsgeneeskundige activiteit uit te oefenen of te blijven uitoefenen.
§ 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° erkend huisarts : een geneesheer die voldoet aan de voorwaarden van het ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen;
2° installatieplaats : de plaats waarop de huisartsgeneeskunde wordt uitgeoefend; deze plaats moet samenvallen met de zetel van de plaats van de hoofdactiviteit van de erkende huisarts;
3° installatiedatum : de datum waarop de huisarts zich inschrijft voor deelname aan de huisartsenwachtdienst zoals bepaald in artikel 10, 4°, van het ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen of, als deze inschrijving al is gebeurd, de datum meegedeeld bij de vervulling van de formaliteiten verbonden aan de identificatie zoals bedoeld in artikel 19;
4° groepering : hergroepering van algemeen geneeskundigen die minstens twee erkende huisartsen bevat die in een schriftelijk samenwerkingsakkoord bevestigen dat ze samenwerken, hetzij op dezelfde installatieplaats hetzij op verschillende installatieplaatsen die zich bevinden in dezelfde huisartsenzone of in twee aan elkaar grenzende huisartsenzones zoals bepaald in uitvoering van artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan de huisartsenkringen;
5° eerste installatie : een installatie binnen vier jaar na het bekomen van de erkenning als huisarts of na de terugkeer uit een ontwikkelingsland. Onder ontwikkelingslanden dient te worden verstaan : de landen en territoria die voorkomen in de lijst van het « Development Assistance Committee » van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
6° nieuwe installatie : hetzij de eerste installatie hetzij de verhuizing van een huisartsenactiviteit, gelokaliseerd in een zone die niet beantwoordt aan één van de vereiste criteria naar een zone die wel beantwoordt aan één van de vereiste criteria ofwel de verhuizing van een huisartsenactiviteit, gelokaliseerd in een zone die beantwoordt aan een van de vereiste criteria, naar een andere identieke zone door een erkende huisarts die de in dit artikel beoogde vergoeding nooit heeft genoten.
Art. 2. De tussenkomsten van het Impulsfonds worden geregeld volgens de modaliteiten voorzien in het raam van een overeenkomst die is gesloten tussen het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en het Participatiefonds, dat is opgericht overeenkomstig artikel 73 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen.
Deze overeenkomst bepaalt de modaliteiten volgens welke het Participatiefonds wordt belast, voor rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met het dagelijks beheer van de tussenkomsten van het Impulsfonds, daarin begrepen de prefinanciering van de leningen, alsook de financierings- en controlemodaliteiten van dit dagelijks beheer.
Het dagelijks beheer omvat het beheer van de individuele kredietovereenkomsten, de terbeschikkingstelling van fondsen, de terugbetalingen en de algemene opvolging van de kredieten, de fase van geschil daarin begrepen.
De hierboven bedoelde kredietovereenkomst vermeldt onder andere het bedrag van de lening, de bestemming, de duur, de interestvoet, de commissies en alle lasten, het terugbetalingsprogramma, de modaliteiten voor het ter beschikking stellen van de fondsen, de voorwaarden en modaliteiten van de vervroegde opeisbaarheid.
HOOFDSTUK 2. - Tussenkomsten in de installatie van huisartsen
Art. 3. § 1. De tussenkomst van het Impulsfonds die de tussenkomst van het Participatiefonds aanvult, toegestaan op basis van artikel 74 van de wet van 28 juli 1992, beoogt de eerste installatie van een algemeen geneeskundige in een individuele praktijk of groepspraktijk.
Ze houdt de toekenning in van een renteloze lening die maximum 15.000 euro kan bedragen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, kan de lening evenwel vervroegd worden toegekend tijdens het jaar dat aan het verkrijgen van de erkenning als huisarts voorafgaat, indien bij de aanvraag het bewijs is gevoegd dat een onroerend goed is aangekocht.
Art. 4. § 1. De tussenkomst kan eveneens of uitsluitend bestaan in de eenmalige toekenning van een bedrag van 20.000 euro voor een nieuwe installatie in een individuele praktijk of in een groepspraktijk van een erkend huisarts in een zone die beantwoordt aan de criteria en volgens de modaliteiten vastgelegd in onderstaande bepaling.
De installatie moet gebeuren in een zone die beantwoordt aan één van de volgende criteria :
1° het gaat om een zone afgebakend in het kader van het grootstedenbeleid zoals gedefinieerd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 14525, tweede lid, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 in zijn versie in werking op 31 december 2011.
2° het gaat om een huisartsenzone zoals bepaald in uitvoering van artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan de huisartsenkringen met :
a) ofwel minder dan 90 huisartsen per 100 000 inwoners;
b) ofwel minder dan 125 inwoners per km2 en minder dan 120 huisartsen per 100 000 inwoners.
§ 2. De lijst van de huisartsenzones, waar voor de installatie het bedrag, bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel, kan worden toegekend, wordt vastgesteld op grond van de hierboven beschreven criteria en gepubliceerd op de website www.riziv.fgov.be. De Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bezorgt die lijst voor 15 februari aan de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu die de Federale Raad voor de Huisartsenkringen, bedoeld in het koninklijk besluit van 16 februari 2006 tot oprichting van een Federale Raad voor de Huisartsenkringen, ervan in kennis stelt.
Deze laatste deelt aan de kringen de inhoud van de lijst mee. Binnen de dertig dagen volgend op deze kennisgeving, kunnen de kringen de Federale Raad voor de Huisartsenkringen op de hoogte brengen van het bestaan van factoren met betrekking tot de medische dichtheid, waarmee in de gehanteerde criteria geen rekening werd gehouden en die toelaten het statuut van hun huisartsenzone betreffende de toekenning van de tussenkomst te wijzigen.
§ 3. De Federale Raad voor de Huisartsenkringen onderzoekt de gegevens die de kringen doorsturen. Op basis daarvan kan de Federale Raad voor de Huisartsenkringen binnen drie maanden na de kennisgeving, bedoeld in het voorgaande lid, een gemotiveerd advies bezorgen aan de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen, waarin een uitbreiding of een beperking van de zones wordt voorgesteld. Die uitbreiding kan bestaan uit de toevoeging van een zone of een gedeelte ervan, die tenminste het grondgebied van een gemeente moet beslaan, hoewel de geanalyseerde medische dichtheid voor die hele zone als toereikend wordt beschouwd. De beperking kan bestaan uit de terugtrekking van een zone of een gedeelte ervan, die ten minste het grondgebied van een gemeente moet beslaan, hoewel de geanalyseerde medische dichtheid voor die hele zone als deficitair wordt beschouwd.
Onder factoren met betrekking tot de medische dichtheid, die niet zijn opgenomen in de criteria die zijn vastgesteld in paragraaf 1, 2°, van dit artikel, dient te worden verstaan : de factoren die onmiddellijk of op termijn een invloed kunnen hebben op de beschikbaarheidsgraad van een of meerdere huisartsen, zoals meer bepaald het voornemen van een of meerdere huisartsen van de huisartsenzone om in de loop van het komende jaar hun activiteit af te bouwen of hun activiteit binnen een termijn van 5 jaar stop te zetten.
§ 4. Overeenkomstig de hierboven bepaalde procedure, kan ook een aanvraag om uitbreiding worden ingediend voor een zone waarvan de geografische afbakening, het aantal actieve huisartsen en het inwonersaantal worden vastgesteld door een overheid die bevoegd is voor het lokaal gezondheidsbeleid en waarvan de huisartsenkring die erkend is voor de huisartsenzone waarin deze zone ligt, op basis van de plaatselijke kenmerken van de huisartsgeneeskunde, op geobjectiveerde en gemotiveerde wijze de noodzaak van de installatie van één of meerdere huisartsen aantoont.
Art. 5. De zones worden jaarlijks voor 1 juni geactualiseerd en de actualisering wordt uiterlijk op 1 juli bekendgemaakt. De vastgestelde zones blijven geldig tot 31 december van het daaropvolgende jaar.
In afwijking van het vorige lid geldt de actualisering van de criteria die aanleiding hebben gegeven tot de eerste uitbreiding van de zones, die is bepaald in artikel 4, § 4, vanaf 1 januari 2008.
Art. 6. § 1. De tussenkomst die is toegekend met toepassing van artikel 3, § 1, is terugbetaalbaar over 5 jaar, met een vrijstelling van één jaar voor de terugbetaling van het kapitaal.
§ 2. De tussenkomst die is toegekend met toepassing van artikel 3, § 2, is terugbetaalbaar volgens dezelfde procedure als die, welke in paragraaf 1 is bedoeld. Indien binnen een periode van 2 jaar, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de tegemoetkoming, de erkenning als huisarts niet is behaald, moet de tegemoetkoming evenwel onverwijld en integraal worden terugbetaald.
§ 3. De tussenkomst toegekend in uitvoering van artikel 4, § 1, eerste lid, is verworven ten definitieve titel op het einde van het vijfde jaar na de datum van de installatie op voorwaarde dat de huisarts op dat moment voldoet aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 1, § 2, 1°. Indien de huisartsenactiviteit wordt afgebroken in de loop van de vijf jaar na de vestigingsdatum of indien de activiteit verplaatst wordt in de loop van eenzelfde periode naar een zone die niet beantwoordt aan de criteria vastgesteld in onderhavig besluit, wordt de tussenkomst teruggevorderd van de huisarts, zonder aanrekening van interest naar evenredigheid met het aantal volledige, nog niet begonnen jaren die nog doorlopen moeten worden gedurende dewelke niet meer voldaan is aan de vereiste installatievoorwaarden.
Art. 7. Zoals is bepaald in artikel 3, § 1, eerste lid, is de tussenkomst van het Impulsfonds een aanvulling op de tussenkomsten van het Participatiefonds, die zijn toegekend op basis van artikel 74 van voornoemde wet van 28 juli 1992.
De in artikel 4, § 1, eerste lid, bedoelde tussenkomst is al of niet aanvullend ten aanzien van diezelfde tussenkomst.
HOOFDSTUK 3. - Tegemoetkomingen voor de loonkosten
Art. 8. De loonkosten waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend hebben betrekking op een werknemer met een arbeidsovereenkomst die een loon garandeert dat minstens in overeenstemming is met het barema dat is vastgesteld door het paritair comité dat bevoegd is voor de tewerkstelling van een bediende die belast is met het onthaal en het praktijkbeheer in een huisartsenpraktijk.
Art. 9. § 1. Een individuele huisarts of een huisarts die deel uitmaakt van een groepering kan aanspraak maken op de in artikel 8 bedoelde tegemoetkoming op voorwaarde dat hijzelf of de groepering een gelabeld elektronisch medisch dossier gebruikt.
§ 2. Het schriftelijk samenwerkingsakkoord tussen de huisartsen van de groepering bedoeld in paragraaf 1 moet minstens de volgende modaliteiten regelen :
1° de manier waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt verdeeld;
2° de modaliteiten voor intern overleg tussen alle deelnemende huisartsen : dit overleg vindt op regelmatige en gestructureerde basis plaats om een interne evaluatie van de medische kwaliteit mogelijk te maken;
3° de modaliteiten voor het raadplegen van de medische dossiers, in het bijzonder de globale medische dossiers, rekening houdend met de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
4° de regels volgens dewelke beslissingen worden genomen;
5° de regels volgens dewelke het samenwerkingsakkoord kan worden beëindigd.
Art. 10. De arbeidsovereenkomst bevat de omschrijving van de taken van de werknemer die te maken hebben met het onthaal en het praktijkbeheer.
Art. 11. § 1. De aanvraag tot tegemoetkoming voor de individuele huisarts in de loop van een bepaald jaar moet uiterlijk op 30 juni van dat jaar worden ingediend en heeft betrekking op de loonkosten die hij de werknemer betaalt voor diens bijstand in het onthaal en het praktijkbeheer in de loop van het voorgaande jaar.
§ 2. De eerste aanvraag van een individuele huisarts bevat :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 10;
2° het bedrag van de globale loonkost waarvoor de tegemoetkoming wordt gevraagd, samen met een verklaring op eer van de huisarts dat het bedrag waarvoor de tegemoetkoming wordt gevraagd overeenstemt met de werkelijk door hem gedragen loonkost, in het bijzonder rekening houdend met het bedrag van de andere tegemoetkomingen van gelijk welke overheid die een vermindering van de globale loonkost tot gevolg hebben.
§ 3. De aanvragen die volgen op de eerste aanvraag bevatten de wijzigingen met betrekking tot de gegevens bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2°, en het bedrag en de verklaring op eer betreffende de werkelijk door de individuele huisarts gedragen loonkost bedoeld in paragraaf 2, 2°, voor het jaar waarvoor de tegemoetkoming wordt gevraagd.
§ 4. Het Participatiefonds kan de toepassingsmodaliteiten bepalen volgens dewelke aan de individuele huisarts wordt gevraagd een bewijs te leveren van de betaling van de lonen en de sociale zekerheidsbijdragen.
Het Participatiefonds kan de inhoud en de vorm bepalen van een aanvraagformulier dat bij het indienen van de in paragrafen 2 en 3 bedoelde aanvraag gebruikt moet worden.
Art. 12. § 1. De aanvraag tot tegemoetkoming voor een groepering in de loop van een bepaald jaar moet uiterlijk op 30 juni van dat jaar worden ingediend en heeft betrekking op de loonkosten betaald door die groepering voor de bijstand in het onthaal en het praktijkbeheer in de loop van het voorgaande jaar.
§ 2. De eerste aanvraag van een groepering bevat :
1° een kopie van het in artikel 9, § 2, vermelde schriftelijk samenwerkingsakkoord;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 10;
3° het bedrag van de globale loonkost waarvoor de tegemoetkoming wordt gevraagd, samen met een verklaring op eer van de huisartsen van de groepering dat het bedrag waarvoor de tegemoetkoming wordt gevraagd overeenstemt met de werkelijk door de groepering gedragen loonkost, in het bijzonder rekening houdend met het bedrag van de andere tegemoetkomingen van gelijk welke overheid die een vermindering van de globale loonkost tot gevolg hebben.
§ 3. De aanvragen volgend op de eerste aanvraag bevatten de wijzigingen met betrekking tot de gegevens bedoeld in paragraaf 2, 1°, en 2°, en het bedrag en de verklaring op eer betreffende de werkelijk door de groepering gedragen globale loonkost bedoeld in paragraaf 2, 3°, voor het jaar waarvoor de tegemoetkoming wordt gevraagd.
§ 4. Het Participatiefonds kan de toepassingsmodaliteiten bepalen volgens dewelke aan de groepering wordt gevraagd :
1° een bewijs te leveren van de betaling van de lonen en de sociale zekerheidsbijdragen;
2° een verklaring op eer te leveren dat de huisartsen van de groepering gebruik maken van een gelabeld elektronisch medisch dossier.
Het Participatiefonds kan de inhoud en de vorm bepalen van een aanvraagformulier dat gebruikt moet worden bij het indienen van de in paragrafen 2 en 3 bedoelde aanvraag.
Art. 13. § 1. Het jaarbedrag van de tegemoetkoming is gelijk aan de helft van de werkelijke globale loonkost met een maximum van :
1° 6.047 euro voor de individuele arts op voorwaarde dat hij tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor de aanvraag wordt ingediend minstens 150 globale medische dossiers beheert en minstens één derde voltijds equivalent tewerkstelt;
2° bij een samenwerkingsakkoord tussen verschillende erkende huisartsen, 6.047 euro per huisarts die deel uitmaakt van de groepering op voorwaarde dat zij tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor de aanvraag wordt ingediend minstens 150 globale medische dossiers beheren en minstens een derde voltijds equivalent tewerkstellen vermenigvuldigd met het aantal artsen die het samenwerkingsakkoord hebben afgesloten.
§ 2. De in paragraaf 1 vermelde minimumaantallen beheerde globale medische dossiers zijn niet van toepassing indien de groepering uitsluitend is samengesteld uit huisartsen die hun erkenning als huisarts zoals bedoeld in artikel 1, § 2, 1°, hebben verkregen in de loop van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de tegemoetkoming wordt aangevraagd of in de loop van laatstgenoemd kalenderjaar, indien ze voor dat kalenderjaar voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 6 februari 2003 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen een financiële tegemoetkoming verleent aan de artsen voor het gebruik van telematica en het elektronisch beheer van medische dossiers.
Deze regel geldt eveneens voor individuele huisartsen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
§ 3. Indien de tewerkstelling die voortvloeit uit de in artikel 10 bedoelde arbeidsovereenkomst zich niet over het volledige kalenderjaar uitstrekt, is de tegemoetkoming verschuldigd pro rata het aantal volledige maanden tewerkstelling.
Indien een groepering gedurende een deel van een kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden bedoeld in paragrafen 1 en 2, is de tegemoetkoming verschuldigd pro rata het aantal maanden gedurende dewelke aan die voorwaarden is voldaan.
§ 4. Het bedrag vermeld in paragraaf 1 wordt op 1 januari van elk jaar aangepast op basis van de evolutie, tussen 30 juni van het voorlaatste jaar en 30 juni van het vorige jaar, van de waarde van de gezondheidsindex bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 december 1997 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten voor de indexering van de prestaties in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.
HOOFDSTUK 4. - Tegemoetkomingen voor kosten voor diensten
Art. 14. De kosten waarvoor de tegemoetkoming wordt toegekend hebben betrekking op het sluiten van een contractuele verbintenis waardoor de individuele huisarts of de groepering kan beschikken over een dienst medisch telesecretariaat dat tot doel heeft te helpen bij het administratief beheer van de praktijk.
De Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen kan een lijst opstellen van de diensten medische telesecretariaat waarvan wordt vastgesteld dat ze beantwoorden aan het in het vorige lid vermelde doel. Desgevallend wordt die lijst gepubliceerd op de website van het RIZIV en van het Participatiefonds.
Art. 15. § 1. De aanvraag tot tegemoetkoming in de loop van een bepaald jaar moet uiterlijk op 30 juni van dat jaar worden ingediend en heeft betrekking op de bedragen betaald voor de facturen betreffende de in het vorig artikel bedoelde kosten van het afgelopen jaar.
§ 2. De eerste aanvraag bevat :
1° een kopie van het in artikel 14 bedoelde contract;
2° inlichtingen over de inhoud van de aangeboden diensten;
3° een kopie van het schriftelijk samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 9, § 2, indien de aanvraag van een groepering uitgaat.
§ 3. De aanvragen volgend op de eerste aanvraag bevatten de wijzigingen met betrekking tot de in paragraaf 2 bedoelde gegevens.
Art. 16. Het jaarlijkse bedrag van de tegemoetkoming is gelijk aan de helft van de reële kosten, met een maximum van :
1° 3.474 euro voor de individuele arts op voorwaarde dat hij tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor de aanvraag wordt ingediend, minstens 150 globale medische dossiers beheert;
2° 3.474 euro per arts die deel uitmaakt van een groepering op voorwaarde dat zij tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor de aanvraag wordt ingediend minstens 150 globale medische dossiers, vermenigvuldigd met het aantal artsen die het samenwerkingsakkoord hebben afgesloten, beheren.
Indien de in artikel 14 bedoelde contractuele verbintenis zich niet over het volledige kalenderjaar uitstrekt, is de tegemoetkoming verschuldigd pro rata het aantal volledige maanden dienstverlening.
HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepalingen
Art. 17. Zowel de individuele huisarts als de groepering die voor dezelfde periode geen enkele tussenkomst of een tussenkomst heeft genoten die lager is dan het bedrag bepaald in het hoofdstuk 3, kunnen de aanvragen die de loonkosten betreffen voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 indienen tot het einde van de derde maand die volgt op de maand tijdens dewelke dit besluit zal worden bekendgemaakt.
Art. 18. Het in artikel 13, § 1, bepaalde maximale jaarbedrag van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op een bedrag van 5.740 euro voor de aanvragen die betrekking hebben op de loonkosten voor de periode van 1 januari 2008 tot 31 december 2008, 5.790 euro voor de aanvragen die betrekking hebben op de loonkosten voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2009, en 5.872 euro voor de aanvragen die betrekking hebben op de loonkosten voor de periode van 1 januari 2010 tot 31 december 2010.
Art. 19. Voor de aanvragen die betrekking hebben op de loonkosten voor het jaar 2011 en die al voor de inwerkingtreding van dit besluit door een groepering waren ingediend, zal de voordeligste regeling worden toegepast.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
Art. 20. Opdat ze ontvankelijk zou zijn dient de aanvraag tot tegemoetkoming van het Impulsfonds te worden ingediend door een arts die voorafgaandelijk de formaliteiten verbonden aan zijn identificatie die door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering worden geëist, heeft vervuld.
Art. 21. De aanvraag tot tegemoetkoming van het Impulsfonds dient uitsluitend aan het Participatiefonds te worden overgemaakt.
Art. 22. De in Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 bedoelde tegemoetkomingen kunnen niet door een individuele arts of een groepering voor dezelfde maand worden gecumuleerd.
Art. 23. Het koninklijk besluit van 15 september 2006 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 november 2007 en 12 augustus 2008, wordt opgeheven.
Art. 24. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 25. De Minister bevoegd voor Sociale Zaken, de Minister bevoegd voor Financiën, de Minister bevoegd voor K.M.O.'s en Zelfstandigen en de Minister bevoegd voor Werk zijn, elk voor wat hen betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 23 maart 2012.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken,
S. VANACKERE
De Minister van Middenstand, K.M.O.'s, Zelfstandigen en Landbouw,
Mevr. S. LARUELLE
De Minister van Werk,
Mevr. M. DE CONINCK

 

VLAAMSE OVERHEID

26 JUNI 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de huisartsenkringen

De Vlaamse Regering,
Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, artikel 36quater en artikel 36duodecies, derde lid;
Gelet op het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders, artikel 7, § 1, § 2 en § 4, artikel 18, § 1, tweede lid, en § 3, gewijzigd bij het decreet van 21 juni 2013, en artikel 24, § 1, gewijzigd bij de decreten van 20 maart 2009 en 21 juni 2013;
Gelet op het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, artikel 9, § 1;
Gelet op het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen;
Gelet op het koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden overeenkomstig dewelke de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen een financiële tegemoetkoming verleent in de werking van de huisartsenkringen erkend overeenkomstig de normen vastgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
Gelet op het koninklijk besluit van 16 februari 2006 tot oprichting van een Federale Raad voor de Huisartsenkringen;
Gelet op het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan;
Gelet op het ministerieel besluit van 28 juni 2002 tot vaststelling van de voorwaarden tot het verkrijgen van de erkenning van huisartsenkringen;
Gelet op het ministerieel besluit van 16 december 2002 tot vaststelling van de erkenningsmodaliteiten van de huisartsenkringen;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 24 maart 2015;
Gelet op advies 57.383/VR/3 van de Raad van State, gegeven op 27 mei 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 2008;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
Na beraadslaging,
Besluit :
HOOFDSTUK 1. - Definities
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° administrateur-generaal : de leidend ambtenaar van het agentschap;
2° agentschap : het Agentschap Zorg en Gezondheid, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Zorg en Gezondheid";
3° huisartsenkring : een vereniging als vermeld in artikel 2;
4° huisartsenzone : een aaneengesloten geografisch gebied van een of meer gemeenten, of van een deel van een gemeente in de grote agglomeraties van Antwerpen en Gent, dat tot het werkgebied van een huisartsenkring behoort;
5° een systeem van centraal oproepnummer : een systeem, vermeld in artikel 9bis van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen
Art. 2. Een huisartsenkring is een vereniging die alle vrijwillig toegetreden praktijkvoerende artsen groepeert die binnen een huisartsenzone hun beroepsactiviteit uitoefenen, om de opdrachten, vermeld in artikel 8, uit te voeren. Een huisartsenkring wordt erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.
In het eerste lid wordt verstaan onder praktijkvoerende artsen : erkende huisartsen, huisartsen in beroepsopleiding en algemeen geneeskundigen met verworven rechten.
Art. 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, bepaalt welke gemeente(n) een huisartsenzone vormen.
Huisartsenkringen kunnen in onderling overleg voorstellen om de huisartsenzone te wijzigen door een of meer gemeenten, of een of meer delen van een gemeente in de grote agglomeraties van Antwerpen en Gent, toe te wijzen aan een andere huisartsenkring. In dat geval moeten die aanvragen uiterlijk op 31 juli bezorgd worden aan het Agentschap Zorg en Gezondheid. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, beslist over de aanvragen. Na goedkeuring gaan de wijzigingen of aanpassingen in op 1 januari van het jaar dat volgt op de aanvraag.
HOOFDSTUK 3. - Erkenning
Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden
Onderafdeling 1. - Voorwaarden om erkend te worden
Art. 4. Om erkend te worden, moet een huisartsenkring voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5 tot en met 8.
Art. 5. Per huisartsenzone kan maar één huisartsenkring worden erkend. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan maar één huisartsenkring worden erkend. Als in een bepaalde huisartsenzone twee of meer huisartsenkringen conform artikel 10 een erkenning aanvragen, wordt de huisartsenkring met het hoogste aantal leden erkend.
Art. 6. Een huisartsenkring is een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid waaraan het bij wet verboden is zijn leden een vermogensvoordeel te bezorgen.
Art. 7. Een huisartsenkring is verplicht om elke huisarts, die wenst toe te treden tot de huisartsenkring en die binnen de huisartsenzone zijn praktijk heeft gevestigd en uitoefent, als lid op te nemen.
Art. 8. Een huisartsenkring treedt op als vertegenwoordiger van de huisartsen van de huisartsenzone en is het lokale aanspreekpunt voor de huisartsen en voor het lokale beleid bij de implementatie van het lokale gezondheidsbeleid. Daarvoor :
1° neemt een huisartsenkring initiatieven voor de bekendmaking van de eerstelijnsgezondheidszorg in het algemeen en van de huisartsenwerking in het bijzonder;
2° neemt een huisartsenkring initiatieven voor de optimalisatie van de multidisciplinaire samenwerking tussen de eerstelijnszorgverstrekkers;
3° sluit een huisartsenkring samenwerkingsovereenkomsten af met ziekenhuizen om de continuïteit van de patiëntenzorg te waarborgen;
4° optimaliseert een huisartsenkring de toegankelijkheid van de huisartsgeneeskunde voor alle patiënten van de huisartsenzone;
5° stimuleert en optimaliseert een huisartsenkring gegevensuitwisseling die noodzakelijk is om de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverlening te verzekeren tussen de huisartsen onderling en tussen de huisartsen en organisaties, diensten en personen met een meer gespecialiseerd zorgaanbod;
6° organiseert een huisartsenkring de huisartspraktijkpermanentie : de huisartsgeneeskunde is beschikbaar voor de patiënten van één of meer praktijken.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden om erkend te blijven
Art. 9. Om erkend te blijven, moet een huisartsenkring :
1° voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5 tot en met 8;
2° elke wijziging die betrekking heeft op de erkenning onmiddellijk meedelen aan het agentschap;
3° jaarlijks uiterlijk tegen 31 mei aan het agentschap een jaarverslag bezorgen over de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 8, met inbegrip van een financieel verslag.
Dat financiële verslag omvat minimaal de documenten, vermeld in artikel 13 en 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
De documenten worden elektronisch naar het agentschap gestuurd. Als dat niet mogelijk is, worden ze met de post of per fax gestuurd.
Afdeling 2. - Erkenning en weigering van de erkenning
Art. 10. § 1. Om erkend te worden, moet een aanvraag tot erkenning ingediend worden met een formulier dat ter beschikking wordt gesteld door het agentschap. Een aanvraag tot erkenning is alleen ontvankelijk als ze de gegevens bevat, die nodig zijn om over de erkenningsaanvraag te kunnen oordelen conform artikel 5 tot en met 8.
§ 2. Als de aanvraag onontvankelijk is, wordt dat door het agentschap aan de aanvrager gemeld binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de erkenningsaanvraag.
§ 3. De administrateur-generaal erkent de huisartsenkringen voor onbepaalde duur.
§ 4. Als niet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 5 tot en met 8, is voldaan, deelt de administrateur-generaal het voornemen tot weigering van de erkenning mee. De aanvrager wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van het voornemen tot weigering van de erkenning.
De aangetekende brief bevat naast het voornemen ook de uitleg over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 24, § 2, van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders.
Als de aanvrager geen bezwaarschrift indient binnen vijfenveertig dagen nadat de aangetekende brief is verstuurd, wordt de beslissing van de administrateur-generaal tot weigering van de erkenning met een aangetekende brief aan de aanvrager bezorgd.
§ 5. De beslissing over de erkenning wordt bezorgd aan de aanvrager.
§ 6. Als de erkenning wordt geweigerd, kan de aanvrager geen aanspraak maken op een vergoeding voor de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die hebben plaatsgevonden om de erkenning te verkrijgen.
Afdeling 3. - Schorsing en intrekking van de erkenning
Art. 11. § 1. De administrateur-generaal uit een voornemen tot schorsing van een erkenning als de huisartsenkring niet meer voldoet aan de voorwaarden om erkend te blijven, vermeld in artikel 9.
§ 2. Een huisartsenkring wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van het voornemen tot schorsing van de erkenning.
De aangetekende brief bevat naast het voornemen ook de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 24, § 2, van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders. Als een huisartsenkring geen bezwaarschrift indient binnen vijfenveertig dagen nadat de aangetekende brief verstuurd is, wordt de beslissing van de administrateur-generaal tot schorsing van de erkenning met een aangetekende brief aan de huisartsenkring in kwestie bezorgd.
§ 3. De beslissing tot schorsing vermeldt de begindatum, de periode van de schorsing en de voorwaarden die vervuld moeten zijn om de schorsing ongedaan te maken.
De administrateur-generaal bepaalt de termijn van de schorsing. Die termijn mag niet meer bedragen dan zes maanden. Op gemotiveerde aanvraag van de huisartsenkring kan die termijn eenmalig voor maximaal zes maanden verlengd worden.
§ 4. De maatregelen die opgelegd kunnen worden in het kader van de schorsing zijn :
1° dat de huisartsenkring zijn activiteiten als huisartsenkring moet stopzetten, behalve voor die activiteiten die in het schorsingsbesluit nog toegelaten worden;
2° dat de subsidie, vermeld in artikel 16 tot en met 18, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden of wordt teruggevorderd.
Met behoud van de toepassing van artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, kunnen de maatregelen per huisartsenkring gemoduleerd worden, afhankelijk van de reden voor de schorsing.
§ 5. Als bij het beëindigen van de schorsingstermijn nog niet aan alle erkenningsnormen is voldaan, wordt de procedure tot intrekking van de erkenning gestart.
Art. 12. § 1. De administrateur-generaal uit een voornemen tot intrekking van de erkenning als een huisartsenkring na het beëindigen van de schorsingstermijn nog niet aan alle erkenningsnormen voldoet of als de maatregelen die opgelegd zijn in het kader van de schorsing, niet worden nageleefd.
De huisartsenkring in kwestie wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van het voornemen tot intrekking van de erkenning.
De aangetekende brief bevat naast het voornemen ook de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 24, § 2, van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders. Als een huisartsenkring geen bezwaarschrift indient binnen vijfenveertig dagen nadat de aangetekende brief verstuurd is, wordt de beslissing van de administrateur-generaal tot intrekking van de erkenning met een aangetekende brief aan de huisartsenkring in kwestie bezorgd.
§ 2. Als de erkenning wordt ingetrokken, kan de huisartsenkring geen aanspraak maken op een vergoeding voor de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die hebben plaatsgevonden om de erkenning te behouden.
§ 3. De administrateur-generaal trekt een erkenning in als een huisartsenkring daarom met een aangetekende brief verzoekt. De beslissing van de administrateur-generaal wordt, binnen een termijn van zes maanden nadat het verzoek is ingediend, met een aangetekende brief bezorgd aan de huisartsenkring in kwestie.
HOOFDSTUK 4. - Toezicht en controle
Art. 13. Het agentschap wordt belast met het toezicht op de huisartsenkringen. Om dat toezicht uit te oefenen, kan het agentschap :
1° gebruikmaken van de gegevens uit de jaarverslagen;
2° alle aanvullende gegevens die daarvoor nodig zijn, vragen aan de huisartsenkringen;
3° gebruikmaken van gegevens over de huisartsenkringen die worden aangeleverd door derden;
4° bij huisartsenkringen, een onderzoek verrichten of laten verrichten door Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.
HOOFDSTUK 5. - Subsidiëring
Art. 14. Binnen de beschikbare begrotingskredieten kan de administrateur-generaal aan erkende huisartsenkringen een jaarlijkse subsidie toekennen als ze voldoen aan de bepalingen van dit besluit.
Art. 15. De subsidie wordt bepaald op basis van de bevolkingscijfers op 1 januari voorafgaand aan het subsidiejaar. Het agentschap hanteert als bevolkingscijfer het bevolkingsaantal op basis van het rijksregister van de natuurlijke personen, gepubliceerd door de Algemene Directie Statistiek van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
Art. 16. Een huisartsenkring ontvangt jaarlijks een forfaitaire subsidie voor de werkingskosten. Die forfaitaire subsidie bedraagt 0,2260 euro per inwoner van de huisartsenzone in kwestie.
Art. 17. Als een huisartsenkring voor de gehele bevolking van de huisartsenzone een systeem van centraal oproepnummer operationeel maakt, ontvangt die huisartsenkring jaarlijks een aanvullende financiering van 0,1977 euro per inwoner van de huisartsenzone in kwestie. Het agentschap stelt op basis van de voorwaarden, vermeld in het koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden overeenkomstig dewelke de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen een financiële tegemoetkoming verleent in de werking van de huisartsenkringen erkend overeenkomstig de normen vastgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, een formulier ter beschikking waarmee de huisartsenkring die subsidie kan aanvragen.
Art. 18. Bij ontstentenis van een systeem van centraal oproepnummer kan een huisartsenkring aanspraak maken op een aanvullende forfaitaire financiering van 0,1412 euro per inwoner van een gemeente binnen de huisartsenzone in kwestie waarvan de bevolkingsdensiteit onder de 125 inwoners per km2 ligt.
Art. 19. Vanaf het werkingsjaar 2015 worden alle subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, jaarlijks aangepast op grond van de evolutie, tussen 30 juni van het voorlaatste jaar en 30 juni van het vorige jaar, van de waarde van de gezondheidsindex, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 december 1997 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten voor de indexering van de prestaties in de regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.
Art. 20. Het volledige bedrag van de toegekende subsidie wordt één keer per jaar aan iedere huisartsenkring uitbetaald.
Art. 21. Een huisartsenkring mag een reserve aanleggen. De reserve is overdraagbaar naar het volgende jaar.
De reserve wordt berekend door het subsidiebedrag te verminderen met de uitgaven die door het Agentschap Zorg en Gezondheid aanvaard worden en die betrekking hebben op de uitvoering van dit besluit.
De aangroei van de reserve bedraagt hoogstens 20% van de subsidie die jaarlijks toegekend is door het Agentschap Zorg en Gezondheid. De gecumuleerde reserve mag hoogstens 50% bedragen van het subsidiebedrag van de laatst gesubsidieerde werkingsperiode.
De inkomsten die verkregen worden buiten dit besluit worden niet in mindering gebracht van de subsidie die toegekend is in het kader van dit besluit, tenzij dubbele financiering wordt aangetoond.
Een reserve, opgebouwd in het kader van dit besluit, kan alleen aangewend worden voor dezelfde of een verwante doelstelling binnen de gesubsidieerde activiteit waarvoor de initiële subsidie is toegekend. De aanwending van die reserves moet worden goedgekeurd door de subsidiërende overheid, tenzij de reserves worden aangewend voor de aanzuivering van het deficit van de werkingsperiode.
Als de activiteit waarvoor reserves zijn aangelegd, niet verder wordt gesubsidieerd, moet het gecumuleerde bedrag van de reserves aan de Vlaamse overheid worden teruggestort.
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsgeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan
Art. 22. In artikel 1, § 2, 4°, van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsgeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan wordt de zinsnede "artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan de huisartsenkringen" vervangen door de zinsnede "artikel 1, 4°, en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 2015 betreffende de huisartsenkringen";
Art. 23. In artikel 4, § 1, 2°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan de huisartsenkringen" vervangen door de zinsnede "artikel 1, 4°, en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 2015 betreffende de huisartsenkringen".
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
Art. 24. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen, worden punt 1°, punt 2°, punt 4° en punt 5° opgeheven.
Art. 25. Artikel 2 en 3 van hetzelfde koninklijk besluit worden opgeheven.
Art. 26. In artikel 5 van hetzelfde koninklijk besluit worden punt 3°, punt 6° en punt 7° opgeheven.
Art. 27. Artikel 7 tot en met 9 van hetzelfde koninklijk besluit worden opgeheven.
Art. 28. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden overeenkomstig dewelke de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen een financiële tegemoetkoming verleent in de werking van de huisartsenkringen erkend overeenkomstig de normen vastgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, wordt opgeheven.
Art. 29. In artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit worden punt 1°, punt 3° en punt 4° opgeheven.
Art. 30. Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art. 31. In artikel 4 van hetzelfde koninklijk besluit worden § 1 en § 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 oktober 2005, opgeheven.
Art. 32. In hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 5, vervangen bij het koninklijk besluit van 31 oktober 2005;
2° artikel 5bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 februari 2001;
3° artikel 6 tot en met 12.
Art. 33. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 16 februari 2006 tot oprichting van een Federale Raad voor de Huisartsenkringen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 2007 en 29 april 2012, wordt opgeheven.
Art. 34. In artikel 1 van het ministerieel besluit van 28 juni 2002 tot vaststelling van de voorwaarden tot het verkrijgen van de erkenning van huisartsenkringen worden punt 1°, punt 2° en punt 4° opgeheven.
Art. 35. Artikel 2 tot en met 5 van hetzelfde ministerieel besluit worden opgeheven.
Art. 36. Het ministerieel besluit van 16 december 2002 tot vaststelling van de erkenningsmodaliteiten van de huisartsenkringen wordt opgeheven.
Art. 37. De huisartsenkringen die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend zijn conform de bepalingen van het ministerieel besluit van 16 december 2002 tot vaststelling van de erkenningsmodaliteiten van de huisartsenkringen en het ministerieel besluit van 28 februari 2007 houdende definitieve erkenning van huisartsenkringen, worden geacht erkend te zijn als huisartsenkring op basis van dit besluit. Ze beantwoorden uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 5 tot en met 8 van dit besluit.
Art. 38. In afwijking van artikel 3 gaan de wijzigingen van huisartsenzones die voor 1 januari 2015 door de federale overheid werden goedgekeurd zonder dat dit aanleiding gaf tot een wijziging van het ministerieel besluit van 28 augustus 2007 houdende definitieve erkenning van huisartsenkringen, in met ingang van 1 januari 2015.
Art. 39. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Art. 40. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 26 juni 2015.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
J. VANDEURZEN

 

 

ASGB-BERICHT

2020.146

 

 

Morgen nemen we afscheid van mevrouw Rita Cuypers, onze juriste die sedert 1978 onafgebroken in dienst was van het ASGB.

 

Ook tijdens onze beginjaren, toen ons ledenaantal en onze financiële situatie niet waren wat ze nu zijn, is zij steeds trouw op post gebleven.

 

In de loop der jaren heeft zij in gans Vlaanderen ontelbare associatiecontracten en Impulseodossiers begeleid. 

 

Onze Algemene Vergadering en Raad van Bestuur zijn haar erkentelijk voor haar jarenlange inzet voor onze vereniging.

 

1
ASGB-BERICHT

2020.127

 

Tijdens de vergadering van de medicomut op 6 juli 2020 stond opnieuw ter discussie of de wachtposten, die gestart waren met het organiseren van een weekwacht tijdens de coronapiek, daarmee verder konden gaan.

0
ASGB-BERICHT

2020.119

 

Tijdens de vergadering van het Verzekeringscomité van maandag 15 juni 2020 werden de grote lijnen uitgewerkt van een systeem voor financiële tussenkomst voor het beschermingsmateriaal en op 29 juni 2020 werd het ontwerp KB goedgekeurd.

Het KB 2O had uitdrukkelijk gesteld dat er geen extra kosten aan de patiënt hiervoor mogen worden aangerekend, maar dat een regeling zou worden uitgewerkt. Er werd daarom een werkgroep opgericht door het Verzekeringscomité en de zaak is ook besproken tijdens de medicomut van 8 juni.

Voor de artsen komt de regeling hierop neer:

4