COVID-19, serologische testen

ASGB-BERICHT 2020.116
Icoon thema staatsblad

 

Geachte collega

In het BS van 3/6/2020 en 5/6/2020 verschenen enkele KB's i.v.m.  serologische testen voor COVID-19.

met collegiale groeten, het ASGB-bestuur


FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

29 MEI 2020. - Koninklijk besluit tot uitvoering van het artikel 70, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19 pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
Gelet op het koninklijk besluit nr. 20 van 13 mei 2020 houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen de COVID-19 pandemie en ter verzekering van de continuïteit van zorg in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, de artikelen 2, tweede lid en 70, derde lid;
Gelet op het informeel overleg met vertegenwoordigers van Sciensano, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, leden van de Technische geneeskundige raad en leden van de Commissie klinische biologie;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 19 mei 2020;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 20 mei 2020;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat geëvalueerde serologische testen beschikbaar zijn, dat Sciensano en het FAGG bepaalde types van testmateriaal aanbevelen, dat het snel kunnen inzetten van deze testen bij de doelgroepen die worden bepaald in dit koninklijk besluit bijdraagt tot een betere diagnostiek van zieke patiënten, de beperking van verdere besmettingen en een betere bescherming voor zorgpersoneel die werkzaam zijn in instellingen met een hoge besmettingsgraad door het gebruik in het lokaal risicomanagement;
Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Dit besluit legt de voorwaarden vast voor de aanrekening van de uitgevoerde serologische testen voor de opsporing van antilichamen tegen het SARS-CoV-2-virus (IgM, IgG of IgA) aan de verzekering voor geneeskundige verzorging.
Art. 2. § 1. Omschrijving van de verstrekking:
554971-554982
Bepaling van antilichamen tegen het SARS-CoV-2-virus via immunoassay (Maximum 1 per voorschrift)
§ 2. De vergoedingsbasis van de verstrekking 554971-554982 bedraagt 9,60 euro;
§ 3. Er is geen persoonlijk aandeel voor de patiënt voor de verstrekking 554971-554982.
Er mogen geen ereloonsupplementen worden aangerekend.
§ 4. Indien er buiten de doelgroepen en vergoedingsvoorwaarden vermeld in de artikelen 3 en 4 wordt getest kan de verstrekking 554971-554982 niet aangerekend worden aan de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.
§ 5. De verstrekking 554971-554982 behoort niet tot de artikelen 3, § 1, A, II, B en C, I, 18, § 2, B, e), of 24, § 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en wordt aan 100% aangerekend.
Art. 3. De verstrekking 554971-554982 is enkel aanrekenbaar bij de volgende doelgroepen:
1° gehospitaliseerde patiënten met een suggestief klinisch beeld voor COVID-19 waarbij er discrepantie is tussen de moleculaire opsporingstest en een CT-scan, minimum 7 dagen na de start van de symptomen;
2° ambulante of gehospitaliseerde patiënten die een suggestief en langdurig klinische beeld hebben voor COVID-19 maar een negatief resultaat op de moleculair test verkregen of niet binnen de 7 dagen na de start van de symptomen konden getest worden via een moleculaire test, minimum 14 dagen na de start van de symptomen;
3° ambulante of gehospitaliseerde patiënten in de context van differentiële diagnose bij een atypische klinische presentatie, minimum 14 dagen na de start van de symptomen;
4° zorgverleners en personeel, werkzaam in ziekenhuizen, klinische laboratoria of collectiviteiten, met een hoge besmettingsgraad (COVID-diensten, woonzorgcentra of klinische laboratoria), in het kader van lokaal risicomanagement.
Art. 4. § 1. De verstrekking 554971-554982 kan enkel worden aangerekend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1) de test wordt voorgeschreven door een arts, het voorschrift bevat de indicatie en de doelgroep;
2) het laboratorium voldoet aan de kwaliteitseisen die Sciensano voor deze verstrekking stelt;
3) het gebruikte testmateriaal wordt aanbevolen op de lijst die gepubliceerd wordt op de website van Sciensano;
4) de verstrekking wordt aangerekend door een specialist in de klinische biologie, zoals bepaald in artikel 1, 5°, van het koninklijk besluit van 3 december 1999 betreffende de erkenning van de laboratoria voor klinische biologie door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort;
5) de geanonimiseerde resultaten worden gerapporteerd aan Sciensano;
6) de verstrekking kan maximaal twee keer per periode van zes maanden worden aangerekend.
§ 2. Immunochromatografische tests komen niet in aanmerking voor terugbetaling voor bovenstaande indicaties.
§ 3. De diagnostische bepaling van antilichamen tegen het SARS-CoV-2-virus kan niet aangerekend worden via de verstrekkingen 552016-552020 of 551655-551666 uit artikel 24 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Art. 5. Bij onderaanneming factureert en rapporteert het ontvangend laboratorium dat ook instaat voor het bewaren van de voorschriften.
Art. 6. De verstrekking 554971-554982 kan worden aangerekend voor de voorschriften vanaf de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Art. 7. Dit besluit treedt inwerking op de dag van publicatie.
Gegeven te Brussel, 29 mei 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
M. DE BLOCK


FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU

5 JUNI 2020. - Koninklijk besluit nr. 29 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 2° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) met het oog op assimilatie van onvoorziene stageperiodes van artsen in opleiding

VERSLAG AAN DE KONING
Sire
Het ontwerp van besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit voor te leggen, beoogt de nodige maatregelen te nemen ten aanzien van de buitengewone crisis waaraan ons land momenteel het hoofd moet bieden, met name de COVID-19-epidemie of -pandemie. Deze crisis zorgt voor bijzondere en ernstige problemen, met name in termen van de volksgezondheid.
Teneinde snel de talrijke maatregelen te kunnen nemen die een dergelijke noodsituatie voor de volksgezondheid oplegt, werd de Regering op die manier hiervoor expliciet door het Parlement gemachtigd via de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II).
Gelet op de ernst van deze pandemie en het exponentiële aantal zieken die de pandemie in een beperkte tijdsspanne teweegbrengt, is het absoluut noodzakelijk om het aantal zorgprofessionals die kunnen bijdragen aan het beheersen van deze gezondheidscrisis te kunnen vrijwaren of zelfs uit te breiden.
Context.
De epidemie veroorzaakt door het Coronavirus COVID-19, heeft een belangrijke weerslag op alle geledingen van de gezondheidszorg. Het aantal patiënten, zowel in de ziekenhuizen, als in de eerstelijnsgezondheidszorg met inbegrip van de thuisvervangende voorzieningen, is belangrijk en de toestand lijkt in bepaalde gebieden in een vorm van `steady state' gekomen. Maar dit sluit niet uit dat ons land nog een lange tijd COVID-19 patiënten zal moeten ten laste nemen, of, bij het mitigeren van de maatregelen om transmissie tegen te gaan, er eventueel opnieuw een toename (tweede piek) kan gezien worden in de komende weken en maanden.
De gezondheidsautoriteiten hebben sinds maart richtlijnen gegeven aan de zorgverstrekkers en de voorzieningen om de capaciteit voor opname van zwaar zieke patiënten te waarborgen, en dit door het afbouwen van de reguliere activiteiten (consultaties, dagopnames, andere ambulante activiteiten, operaties). Dit laatste heeft een belangrijke weerslag op de stagetrajecten voor de artsen in opleiding. In sommige specialiteiten ziet men de activiteit quasi volledig wegvallen, zoals bijvoorbeeld in de oftalmologie, en de dermatologie. In andere disciplines is er dan een toegenomen nood aan medisch personeel (spoedgevallen, transit- en cohorteafdelingen, intensieve zorg, woonzorgcentra, ...).
Talrijke artsen in opleiding worden ingezet in andere diensten dan deze vermeld in hun stageplan om de gevolgen van de epidemie of pandemie op te vangen, namelijk om de opvangcapaciteit te vrijwaren of bijkomende capaciteit te voorzien. Zo worden bijvoorbeeld artsen in opleiding in de heelkunde vooral ingezet in de (pre-)triage, of in de functie spoedgevallen; dermatologen in opleiding worden ingezet om testen af te nemen of om mee te werken in cohorteafdelingen.
In bepaalde disciplines heeft men de periodieke rotatie van de stages uitgesteld omdat men de artsen in opleiding op bepaalde diensten, zoals spoed, intensieve zorg, inwendige ziekten en infectiologie, pneumologie, ... omwille van hun expertise verder wenst in te zetten.
De artsen in opleiding worden in het kader van de crisissituatie ingezet om een optimale opnamecapaciteit in de ziekenhuizen te realiseren en om dringende indicaties voor consultatie, triage, ... op te vangen.
Bijgevolg kunnen deze artsen in opleiding hun stageplan niet uitvoeren zoals voorzien. Hierdoor kan het zijn dat bij de toetsing, op het einde van de voorziene opleiding en rekening houdend met de normale opleidingsduur voor een discipline, niet aan alle erkenningsvoorwaarden is voldaan. Gezien artsen in opleiding worden ingezet om andere taken uit te voeren dan voorzien, of omdat zij het vooropgestelde aantal maanden voltijdse (of pro rata temporis deeltijdse) stage of vereiste verstrekkingen niet bereiken.
De huidige regelgeving is ontoereikend om een antwoord te bieden op alle bijzonderheden die ontstaan door deze onvoorziene situatie. Het gaat hier onder meer om de ministeriële besluiten betreffende de erkenning van de huisartsen en van de andere artsen-specialisten in opleiding, met inbegrip van alle ministeriële besluiten die specifieke voorwaarden instellen per discipline; het gaat met andere woorden over het volledige reglementaire kader voor de opleiding van huisartsen en andere artsen in specialistische opleiding.
Niet alleen omwille van de continuïteit van hun stages en hun erkenning, maar ook om te voorzien in voldoende capaciteit in de zorgsectoren is het van belang dat er zo snel mogelijk een oplossing wordt geboden aan de betrokken artsen zodat zij kunnen ingezet worden waar nodig en dat hun prestaties gevalideerd kunnen worden in het kader van hun opleiding.
Mogelijkheden als een specifieke stage of rotatiestage blijven bestaan en verdienen de voorkeur, maar zijn mogelijk niet meer toereikend gezien men in deze urgente omstandigheden geconfronteerd wordt met de beperkingen van de normale procedures.
Normaliter dienen de stageplannen voorafgaand gewijzigd te worden of overeenkomsten gesloten te worden, die voor advies worden voorgelegd aan de bevoegde erkenningscommissies.
Verder moet vermeden worden dat een stageplan wordt onderbroken. Zonder een lopende stageovereenkomst (belangrijk voor de supervisie) zijn de artsen in opleiding weliswaar gemachtigd de geneeskunde uit te oefenen, ook voor wat de COVID-19-patiënten betreft.
Maar in dergelijk geval ontbreekt er een kader van supervisie, financiering en verzekering van de verantwoordelijkheden. Dit zou dus praktisch kunnen inhouden dat de betrokken artsen uitgesloten worden van de `health work force'.
Onderbreking van de stage is weliswaar toegestaan (volgens het ministerieel besluit van 23 april 2014 voor een periode van 15 weken maximaal). Maar indien ook ziekteverlof of zwangerschappen binnen deze 15 weken in rekening worden genomen, dan zou het onderbreken van de stage onvermijdelijk leiden tot de nood aan bijkomende stages achteraf, om aan de erkenningsvoorwaarden te voldoen. Deze situatie is absoluut ongewenst.
Er moet dus een oplossing gevonden worden voor zij die niet meer het voldoende aantal maanden voltijdse (of pro rata temporis deeltijdse) stage (of aantallen van bepaalde medische handelingen) kunnen volbrengen binnen de voorziene opleidingsduur, maar die tijdens de COVID-19-crisis wel alternatieve medische activiteiten hebben verricht.
Concept van oplossing: (gedeeltelijke) assimilatie van onvoorziene stageperiodes in het kader van de COVID-19-epidemie/pandemie
Gelet op de onzekere situatie waarin de artsen in opleiding zich bevinden, wordt gewerkt aan een generieke oplossing om voor zoveel mogelijk kandidaten op het einde van hun opleiding en binnen de voorziene opleidingsduur, de erkenning te kunnen geven. Uiteraard dient men steeds rigoureus na te gaan of de eindtermen in hun globaliteit werden gerealiseerd. De gemeenschappen zijn bevoegd voor de erkenning.
De wettelijke grondslag om ter zake door de federale regering dringende maatregelen te laten nemen, is de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II).
Het is absoluut noodzakelijk om op dit niveau op te treden; zo niet komt de continuïteit van de stages en de erkenning van kandidaten in het gedrang of zouden zij hun stage moeten verlengen terwijl ze het vereiste aantal maanden voltijdse (of pro rata temporis deeltijdse) stage wel volbracht hebben, zij het in andere, zeer specifieke omstandigheden dan oorspronkelijk voorzien.
Ook is het van belang dat er voldoende rechtszekerheid wordt geboden aan artsen in opleiding zodat zij niet afhaken om medische activiteiten te verrichten buiten het kader van hun stageplan om de gevolgen van de COVID-19-epidemie/pandemie op te vangen.
Een tweede (complementaire) oplossing is dat de kandidaten bepaalde eindcompetenties op een meer intensieve wijze verwerven tijdens de heropstart van de reguliere activiteiten binnen de desbetreffende discipline.
Voor wat de opleiding van huisartsen betreft, moeten de stages in (pre-)triage kunnen worden geassimileerd met ziekenhuisstage of huisartsenstage, ten einde tegemoet te komen aan de minimale Europese voorwaarden voor erkenning van beroepskwalificaties.
Er wordt dus voorgesteld om, uitzonderlijk en voor een beperkte tijd, de klinische activiteit die verricht werd tijdens de COVID-19-epidemie of -pandemie, binnen de voorziene opleidingsduur, in aanmerking te nemen (te assimileren) als een pertinent en relevant deel van de stage, en dit onder bepaalde voorwaarden. Met andere woorden, de klinische activiteit tijdens de uitzonderlijke omstandigheden kan geassimileerd worden om de erkenning aan te vragen en te bekomen, mits voldaan aan de cumulatieve voorwaarden bepaald in dit besluit.
De voorgestelde oplossing heeft een beperkte toepassingsduur. Het gaat namelijk enkel om medische activiteiten om de gevolgen van de COVID-19-epidemie/pandemie op te vangen.
Er wordt evenwel geen einddatum bepaald omdat de artsen in opleiding van deze rechten dienen te kunnen genieten tot het eind van hun opleiding om uiteindelijk hun erkenning te verkrijgen.
Het spreekt voor zich dat de bevoegde autoriteiten de in dit besluit bedoelde assimilatie beoordelen overeenkomstig de door hen vastgestelde procedure.
De gemeenschappen zijn immers bevoegd voor de opvolging en evaluatie van het stageplan en de toepassing van de erkenningscriteria om de erkenning toe te kennen. Die inschatting (welke activiteiten, aantal maanden voltijdse -of pro rata temporis deeltijdse- stage, aantal prestaties, ....) zal onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde overheden vallen. Indien deze zouden vaststellen dat de eindcompetenties niet worden bereikt, kunnen zij een verlenging van de stage voorstellen. Het is evident dat bij het voorstellen van een verlenging van de stage dit omstandig zal moeten gemotiveerd worden, onder meer rekening houdende met hoger omschreven assimilatiemogelijkheid.
De principes opgenomen in dit besluit werden overigens besproken met de gefedereerde entiteiten.
Er moet steeds over gewaakt worden dat de eindcompetenties zoals omschreven in de specifieke besluiten inzake erkenningsvoorwaarden, bereikt worden. De erkenning geeft kwalitatieve waarborgen aan de patiënten, daar kan dus niet aan getornd worden.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
De Minister van Volksgezondheid
M. DE BLOCK

Raad van State, afdeling Wetgeving
Advies 67.406/2 van 18 mei 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit nr. `tot uitvoering van artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID 19 (II) met het oog op assimilatie van onvoorziene stageperiodes van artsen in opleiding'
Op 13 mei 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en van Asiel en Migratie verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit nr. X `tot uitvoering van artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID 19 (II) met het oog op assimilatie van onvoorziene stageperiodes van artsen in opleiding'.
Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 18 mei 2020. De kamer was samengesteld uit Pierre VANDERNOOT, kamervoorzitter, Patrick RONVAUX en Christine HOREVOETS, staatsraden, Sébastien VAN DROOGHENBROECK en Jacques ENGLEBERT, assessoren, en Béatrice DRAPIER, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Xavier DELGRANGE, eerste auditeur afdelingshoofd.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre VANDERNOOT.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 18 mei 2020.
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)', waarin verwezen wordt naar artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Bevoegdheid van de federale overheid
In het verslag aan de Koning betreffende het voorliggende ontwerp, wordt het volgende gesteld:
"Het spreekt voor zich dat de bevoegde autoriteiten de in dit besluit bedoelde assimilatie beoordelen overeenkomstig de door hen vastgestelde procedure. De gemeenschappen zijn immers bevoegd voor de opvolging en evaluatie van het stageplan en de toepassing van de erkenningscriteria om de erkenning toe te kennen. Die inschatting (welke activiteiten, aantal maanden voltijdse -of pro rata temporis deeltijdse- stage, aantal prestaties, ...) zal onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde overheden vallen."
In de toelichting bij het voorstel dat geleid heeft tot de bijzondere wet van 6 januari 2014 `met betrekking tot de Zesde Staatshervorming' wordt immers het volgende gepreciseerd:
"Dit voorstel voorziet erin dat de gemeenschappen voortaan bevoegd zijn ten aanzien van de erkenning van de zorgverstrekkers. De federale overheid blijft evenwel bevoegd om de voorwaarden voor de erkenning van zorgverstrekkers te bepalen die voor geheel België gelijk zijn. Het gaat om de bevoegdheid om de voorwaarden te bepalen waaraan de uitoefening van een gezondheidszorgberoep moet voldoen. De gemeenschappen kunnen die federale voorwaarden toepassen teneinde een beleid te voeren dat aangepast is aan hun behoeften. Zij kunnen hierbij opteren voor een systeem waarbij de erkenning van rechtswege wordt toegekend, dan wel uitdrukkelijk moet worden toegekend. De federale overheid blijft eveneens bevoegd om te bepalen of de prestaties van deze zorgverleners aanleiding geven tot een tegemoetkoming uit de ziekte- en invaliditeitsverzekering. In voorkomend geval kunnen de federale overheid en de gemeenschappen dienaangaande overeenkomstig artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een Samenwerkingsakkoord afsluiten." (1)
De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft uit die parlementaire voorbereiding de volgende strekking afgeleid van die nieuwe gemeenschapsbevoegdheid:
"4.1. Het ligt voor de hand dat met het woord `gezondheidszorgberoepen' in elk geval de gezondheidszorgberoepen worden bedoeld die worden geregeld in de gezondheidszorgberoepenwet en waarvoor een systeem van erkenning is uitgewerkt in die wet.
4.2. Voorts kan worden aangenomen dat de bijzondere wetgever met de bevoegdheid inzake de `erkenning' van de gezondheidszorgberoepen een consistent en logisch systeem heeft willen uitwerken. De term `erkenning' moet in een functionele (en niet in een letterlijke) betekenis worden begrepen, namelijk als een vergunning vanwege de overheid die vereist is om het betrokken beroep of de betrokken bijzondere beroepsbekwaamheid uit te oefenen of de betrokken bijzondere beroepstitel te dragen. In de gezondheidszorgberoepenwet wordt immers naast de erkenning van verscheidene gezondheidszorgbeoefenaars ook gewag gemaakt van de `registratie' van de zorgkundigen. (2) Die registratie blijkt evenwel, net als de erkenning van de overige gezondheidszorgberoepen, neer te komen op een vergunning voor het uitoefenen van het beroep van zorgkundige. De conclusie is dan ook dat de gemeenschappen ook bevoegd zijn voor de registratie van zorgkundigen.
4.3. Er zijn daarentegen een aantal andere overheidshandelingen met betrekking tot zorgbeoefenaars die ook na deze bevoegdheidsoverdracht nog steeds tot de bevoegdheid van de federale overheid moeten worden gerekend. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de volgende handelingen.
Het viseren van de opleidingstitel, hetzij door het Directoraat-generaal Gezondheidsberoepen, Medische Bewaking en Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, hetzij door de provinciale geneeskundige commissies (3) (de zogenaamde licence to practice) is een federale bevoegdheid gebleven. (4)
Ook de eventueel vereiste inschrijving op de lijst van de orde die bevoegd is voor het betrokken gezondheidszorgberoep, (5) moet nog steeds tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid worden gerekend.
Voorts is ook de verlening van een RIZIV-nummer aan gezondheidszorgbeoefenaars met het oog op de terugbetaalbaarheid van de geneeskundige verstrekkingen een voorbehouden federale bevoegdheid gebleven. (6)
Specifiek voor apothekers wordt er in de gezondheidszorgberoepenwet ook gewag gemaakt van een registratie van de rechtmatig voor het publiek opengestelde apotheken. (7) Voor die registratie is de federale overheid bevoegd gebleven, net als voor de vergunning voor de voor het publiek opengestelde apotheken. (8) In die twee gevallen gaat het immers niet om een voorwaarde voor de beroepsuitoefening als dusdanig, maar om een voorwaarde voor de uitbating van een apotheek op een specifieke plaats.
5. Uit de vermelding in de parlementaire voorbereiding dat de gemeenschappen `een beleid [kunnen] voeren dat aangepast is aan hun behoeften' en dat zij kunnen `opteren voor een systeem waarbij de erkenning van rechtswege wordt toegekend, dan wel uitdrukkelijk moet worden toegekend', kan worden afgeleid dat de bijzondere wetgever de gemeenschappen ook bevoegd heeft geacht om te regelen volgens welke procedure die erkenning kan worden toegekend. Die bevoegdheid omvat het regelen van de procedure voor de aanvraag van de erkenning, alsook het onderzoek van en de beslissing over die aanvraag, desgevallend op advies van instanties die de gemeenschappen kunnen inrichten en waarvan zij de samenstelling en de werkwijze bepalen. De gemeenschappen moeten daarbij de erkenningsvoorwaarden naleven en toepassen waarvoor de federale overheid bevoegd is gebleven. De gemeenschappen kunnen eveneens de procedure bepalen met betrekking tot de intrekking van die erkenning wanneer niet voldaan is aan de federale erkenningsvoorwaarden.
De zo-even geschetste bevoegdheid betreft zowel de relevante bepalingen van de gezondheidszorgberoepenwet als van de uitvoeringsbesluiten ervan. Zolang en in zoverre de gemeenschappen geen gebruik hebben gemaakt van deze bevoegdheid, blijven de bestaande federale regelingen inzake de erkenningsprocedure voor gezondheidszorgbeoefenaars van toepassing ten aanzien van die gemeenschappen, met inbegrip van de procedures met betrekking tot de bij die regelingen ingestelde erkenningscommissies. (9)
6. De vaststelling van de erkenningsvoorwaarden, alsook de vaststelling van de lijst van bijzondere beroepstitels en bijzondere beroepsbekwaamheden komt nog steeds toe aan de federale overheid. (10)" (11).
Het onderzochte ontwerp lijkt binnen de grenzen van de federale bevoegdheden te vallen.
Naleving van de Europese wetgeving
De gemachtigde van de minister heeft het volgende gesteld:
"de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties is van toepassing voor wat betreft de minimale opleidingsnormen voor artsen. Het ontwerp van besluit respecteert deze Richtlijn, aangezien er duidelijk vermeld wordt dat de eindcompetenties moeten bereikt worden en dat de totale opleidingsduur niet verkort wordt".
Op grond van die gegevens kan besloten worden dat het ontwerp geen bezwaar doet rijzen in het licht van het Europese recht.
Beroep op de techniek van de bijzondere machten
Uit de aanhef blijkt dat het voorliggend ontwerp de vorm aanneemt van een bijzonderemachtenbesluit op grond van artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)' (hierna: "de wet van 27 maart 2020 (I)"), en van de artikelen 2, eerste lid, en 5, § 1, 2°, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)' (hierna "de wet van 27 maart 2020 (II)").
Artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 (I), die het mogelijk maakt om te werken met de procedure waarbij verzocht wordt om een advies binnen een termijn van vijf dagen, bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten `op de Raad van State', zonder dat daarvoor nog een bijzondere motivering van het verzoek om spoedbehandeling opgegeven hoeft te worden, doet, voor de koninklijke besluiten die binnen het toepassingsgebied van die bepaling vallen, dienst als de overname van de motivering van het spoedeisend karakter. (12)
In artikel 2, van de wet van 27 maart 2020 (II) wordt het volgende bepaald:
"Teneinde het België mogelijk te maken te reageren op de coronavirus COVID-19 epidemie of pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in artikel 5, § 1, 1° tot 8°, bedoelde maatregelen nemen.
Zo nodig kunnen deze maatregelen een terugwerkende kracht hebben, die echter niet verder kan teruggaan dan 1 maart 2020."
Met het oog op de in artikel 2, eerste lid, vermelde doelstellingen, machtigt artikel 5, § 1, 2°, van die wet op zijn beurt de Koning om maatregelen te treffen om
"de noodzakelijke logistieke en opvangcapaciteit, met inbegrip van de bevoorradingszekerheid, te vrijwaren of erin bijkomend te voorzien."
In de bespreking van dat artikel wordt het volgende bepaald:
"Het is van het grootste belang dat maatregelen kunnen worden genomen om de zorgsectoren, instellingen en ziekenhuizen op het grondgebied van de nodige middelen te voorzien teneinde de meest optimale zorg in veilige omstandigheden te bieden." (13)
Het voorliggende ontwerp valt binnen dat kader.
De vraag stelt zich evenwel of dat ontwerp de vorm dient aan te nemen van een bijzonderemachtenbesluit.
In artikel 1 van het ontwerp wordt immers gesteld dat de beoogde maatregelen genomen worden "in afwijking van de vigerende regelgeving". Die regelgeving wordt vastgesteld op grond van artikel 88, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 `betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen', dat luidt als volgt:
"De erkenning bepaald in artikel 86 wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die zijn vastgesteld door de minister bevoegd voor Volksgezondheid, op advies, wanneer zij bestaan, van de Raden waaraan deze bevoegdheid is toegewezen."
In artikel 86 wordt dan weer het volgende bepaald:
"Niemand kan een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of de door hem gemachtigde ambtenaar hiertoe te zijn erkend."
Met het onderzochte ontwerp wordt dus uitsluitend afgeweken van ministeriële besluiten zoals het ministerieel besluit van 23 april 2014 `tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheer-specialisten, stagemeesters en stagediensten' In dat verband heeft de gemachtigde van de minister het volgende gesteld:
"Er wordt inderdaad voorzien dat er kan afgeweken worden van het ministerieel besluit van 23 april 2014 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van arts-specialisten, stagemeesters en stagediensten en van het ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen. Daarnaast is het ook mogelijk dat er, afhankelijk van de concrete omstandigheden, afgeweken kan worden van de specifieke ministeriële besluiten die de erkenningscriteria vaststellen per specialiteit.
De vigerende regelgeving omvat dus het volledige reglementaire kader inzake erkenningscriteria voor de artsen die een beroepstitel willen verkrijgen bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde.
Het ontwerp betreft enkel een afwijking van voormelde ministeriële besluiten.
Gezien de uitzonderlijke omstandigheden die een ad hoc oplossing vereisen en de grote verschillen naargelang de specialiteit, wordt er voor gekozen een algemene regeling te voorzien die kan toegepast worden voor alle specialiteiten. Dit in plaats van een afwijking te voorzien op de verschillende ministeriële besluiten.
Het ontwerp wordt enkel genomen in het kader van de COVID-19-pandemie en heeft een beperkte toepassingsduur. Dit kadert dan ook volledig in de maatregelen die door de regering kunnen genomen worden om snel het hoofd te bieden aan de problematische situatie die ontstaat voor artsen in opleiding. Het is belangrijk dat zij in het kader van de COVID-19-pandemie kunnen ingezet worden waar nodig en dat hun medische activiteiten gevalideerd worden zodat de continuïteit van hun stage en erkenning niet in het gedrang komt, wat eveneens van belang is voor het vrijwaren van de zorgcapaciteit."
De gemachtigde van de minister is gevraagd om uitleg omtrent de redenen waarom een beroep gedaan is op de bijzondere machten, met als gevolg dat het besluit bij wet bekrachtigd zal moeten worden (artikel 7, tweede lid, van de wet van 27 maart 2020 (II)). In dat verband heeft zij het volgende geantwoord:
"De toepassing van dit besluit is beperkt tot de medische activiteiten om de gevolgen van de COVID-19-epidemie/pandemie op te vangen. Door middel van een volmachtbesluit wenst men het uitzonderlijk en dringend karakter van deze maatregel te benadrukken. Hiermee wordt het signaal gegeven dat deze oplossing specifiek gericht is op deze periode van buitengewone omstandigheden.
Het is niet de bedoeling om in te grijpen in de ministeriële besluiten en deze te wijzigen, maar om een autonoom volmachtbesluit te nemen. Dit draagt volgens ons ook bij tot het verduidelijken van de tijdelijke maatregel in het kader van de pandemie.
In artikel 1 van het ontwerp kunnen daarom de woorden `in afwijking van de vigerende regelgeving' eventueel worden weggelaten, aangezien een volmachtbesluit sowieso voorrang heeft op een ministerieel besluit.
De inhoud van de bepalingen is bovendien zo essentieel dat het wetgevend karakter van een volmachtbesluit (waardoor een wijziging enkel mogelijk is bij wet) een zekere bescherming inhoudt voor de artsen in opleiding en voor de zorgcapaciteit in het algemeen. Een massale verlenging van de stages zou namelijk ook de opleidingscapaciteit in het gedrang brengen."
In advies nr. 67.142/AV, verstrekt op 25 maart 2020 over een voorstel dat heeft geleid tot de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)' en de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)', heeft de algemene vergadering van de afdeling Wetgeving in het volgende voorzien:
"het ([s] mogelijk dat de Koning maatregelen neemt of wijzigingen aanbrengt in reglementaire bepalingen die reeds op grond van de actueel geldende wetgeving tot zijn bevoegdheid behoren, maar daarbij toch rechtsgrond zoekt in artikel 5, § 1, van het voorstel, bijvoorbeeld omdat deze samenhangen met maatregelen waarvoor wel degelijk een beroep moet worden gedaan op de bijzondere machten of omdat de bijzonderemachtenwet hem toelaat voorbij te gaan aan bepaalde vormvereisten." (14)
In datzelfde advies vestigt de algemene vergadering evenwel de aandacht op de gevolgen van zulk een optie en wel in de volgende bewoordingen:
"Als gevolg van de bekrachtiging verkrijgen alle bij bijzonderemachtenbesluit vastgestelde of gewijzigde bepalingen kracht van wet. Zij kunnen daarna enkel nog worden gewijzigd door middel van een formele wet. De Koning zal ze niet meer eigenmachtig kunnen wijzigen, zelfs niet indien een specifieke wetsbepaling hem machtigt om ter zake maatregelen te nemen. Om die reden heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, in het verleden steeds afgeraden om in gewone uitvoeringsbesluiten wijzigingen aan te brengen bij bijzonderemachtenbesluiten. (15)
De wetgever dient dan ook na te gaan of het niet zinvol is om, hetzij in het voorliggende voorstel, hetzij in de latere bekrachtigingswetten, aan te geven dat de bekrachtigde bepalingen door de Koning opnieuw zullen kunnen worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen, althans in zoverre daarvoor ook een materiële rechtsgrond voorhanden is". (16)
Het staat derhalve aan de steller van het ontwerp om te beoordelen of de vaststelling ervan dermate dringend is dat geen enkel uitstel mogelijk is dat verband houdt met de vervulling van de vereiste voorafgaande vormvereisten (17), inzonderheid, overeenkomstig artikel 88, eerste lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, het inwinnen van het advies van de Hoge Raad van artsenspecialisten en van huisartsen. (18)
Onderzoek van het ontwerp
Artikel 1
1. Luidens de inleidende zin van artikel 1 zal de afwijking waarin deze bepaling voorziet "tijdens de COVID-19-epidemie of -pandemie" van toepassing zijn.
Een dergelijke begrenzing in de tijd is veel te onnauwkeurig.
De regelgeving ter zake moet aldus worden vastgesteld dat de adressaten ervan op duidelijke wijze ingelicht worden over de periode gedurende welke de stageactiviteiten van de kandidaat-specialisten of de kandidaat-huisartsen "om de gevolgen van de COVID-19-epidemie/pandemie op te vangen", zoals bepaald wordt in punt 4° van artikel 1, met inachtneming van de voorwaarden die opgesomd worden in artikel 1, "geassimileerd [kunnen] worden met een deel van [hun] stage".
Het ontwerp moet op dat punt worden aangevuld, desnoods met een machtiging aan de Koning die, handelend op basis van Zijn gewone bevoegdheden, in voorkomend geval, die periode kan verlengen in functie van de noden die verband houden met de huidige gezondheidscrisis.(19)
2. Op de vraag om te preciseren in welke gevallen geen overeenkomst gesloten kan worden, zoals bepaald wordt in het derde lid van punt 3°, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord:
"In bepaalde gevallen kan het zijn dat een overeenkomst niet, of niet tijdig, kan worden gesloten gezien de uitzonderlijke omstandigheden waar ad hoc een oplossing werd gezocht om artsen in opleiding in te schakelen in andere diensten.
Daarbij wordt gedacht aan omstandigheden die zich opdringen naar aanleiding van de COVID-19-crisis onafhankelijk van de wil van de betrokken partijen."
De griffier, De voorzitter,
Béatrice DRAPIER Pierre VANDERNOOT
_______
Nota's
(1) Parl St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2232/1, 47.
(2) Voetnoot 3 van het geciteerde advies: Artikel 56 van de gezondheidszorgberoepenwet.
(3)Voetnoot 4 van het geciteerde advies : Zie de artikelen 25, 47, 60, en 72, § 3, van de gezondheidszorgberoepenwet
(4) Voetnoot 5 van het geciteerde advies: Zie het verslag van de kamercommissie, Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 53-3201/004, 8-9.
(5) Voetnoot 6 van het geciteerde advies: Zie artikel 25 van de gezondheidszorgberoepenwet.
(6) Voetnoot 7 van het geciteerde advies: Zie artikel 5, § 1, I, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
(7) Voetnoot 8 van het geciteerde advies: Zie artikel 18 van de gezondheidszorgberoepenwet.
(8) Voetnoot 9 van het geciteerde advies: Zie artikel 9 van de gezondheidszorgberoepenwet.
(9) Voetnoot 10 van het geciteerde advies: Zie artikel 94, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
(10) Voetnoot 11 van het geciteerde advies: Zoals ook blijkt uit de woorden "met naleving van de door de federale overheid bepaalde erkenningsvoorwaarden" in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De vaststelling van de lijst van bijzondere beroepstitels en bijzondere beroepsbekwaamheden kan worden beschouwd als een voorafgaande voorwaarde voor de vaststelling van die erkenningsvoorwaarden.
(11) Advies 58.387/VR/3, op 11 december 2015 gegeven over een ontwerp dat geleid heeft tot het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 `houdende de erkenning van kinesitherapeuten en van de bijzondere beroepsbekwaamheden voor kinesitherapeuten' (http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/58387.pdf). Zie in diezelfde zin, advies 58.611/VR/3, op 20 januari 2016 gegeven over een ontwerp dat geleid heeft tot het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 `betreffende de erkenning van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker' (http://www.raadvstconsetat.be/dbx/adviezen/58611.pdf).
(12) Zie in die zin onder andere het voornoemde advies 67.208/2, opmerking 2 die gemaakt is met betrekking tot de aanhef.
(13) Wetsvoorstel `dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19', Parl.St. Kamer, 2019-20, nr. 55-1104/1, 6.
(14) Parl.St. Kamer, 2019-20, nr. 55-1104/002, 5, opmerking 5 (http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/67142.pdf).
(15) Voetnoot 7 van het geciteerde advies: Zie onder meer: adv.RvS 25.669/8 van 24 oktober 1996 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 18 november 1996 `strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels' http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/25669.pdf; adv.RvS 25.671/8 van 24 oktober 1996 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 18 november 1996 `houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels' http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/25671.pdf; adv.RvS 25.992/1/2/8 van 23 januari 1997 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 13 juni 1997 `tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels' http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/25992.pdf.
(16) Voetnoot 14 van het geciteerde advies: Een dergelijke bepaling, die bijvoorbeeld ook wordt gehanteerd wanneer de wetgever rechtstreeks wijzigingen aanbrengt aan een reglementaire bepaling, kan immers op zichzelf niet worden beschouwd als een onbeperkte machtiging die de Koning toelaat eender welke wijziging door te voeren. Het betreft integendeel slechts een formele toelating aan de Koning om de betrokken bepalingen opnieuw te wijzigen, zonder dat hij daarbij vrijgesteld wordt van het vereiste dat er ook een materiële rechtsgrond voorhanden zal dienen te zijn. Zie o.m. adv.RvS 61.069/1 van 13 april 2017 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 16 juni 2017 `betreffende het onderwijs XXVII' nr. 7.1, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/61069.pdf.
(17) Zie in dat verband advies 67.248/2, op 20 april 2020 gegeven over een ontwerp dat geleid heeft tot het Besluit van de Waalse Regering van bijzondere machten nr. 38 van 7 mei 2020 `waarbij afgeweken kan worden van de regels en voorwaarden voor de toekenning van de gezinsprestaties voor kinderen ouder dan 18 jaar' (http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/67248.pdf).
(18) Zie in die zin advies 65.657/2, op 9 april 2019 gegeven over een ontwerp dat ontstaan gegeven heeft aan het ministerieel besluit van 23 mei 2019 `tot wijziging van het ministerieel besluit van 23 april 2014 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheer-specialisten, stagemeesters en stagediensten' (http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/65657.pdf).
(19) Zie in dat verband het voornoemde advies 67.142/AV, opmerking 5.2.2.
5 JUNI 2020. - Koninklijk besluit nr. 29 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 2° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) met het oog op assimilatie van onvoorziene stageperiodes van artsen in opleiding
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), artikelen 2, eerste lid en 5, § 1, 2° ;
Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I), artikel 4, derde lid;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 28 april 2020;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 11 mei 2020;
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op advies 67.406/2 van de Raad van State, gegeven op 18 mei 2020, met toepassing van artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I);
Op de voordracht van de Minister van Volksgezondheid en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Om de erkenning als arts-specialist of als huisarts te bekomen, kan, in afwijking van de vigerende regelgeving, de klinische activiteit verricht tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 om de gevolgen van de COVID-19-epidemie/pandemie op te vangen, binnen de voorziene opleidingsduur, geassimileerd worden met een deel van de stage op voorwaarde dat :
1° de erkende stagemeester van de stagedienst waar de alternatieve activiteiten worden verricht, verantwoordelijk is voor de opleiding van de kandidaat-specialist of kandidaat-huisarts binnen de lopende stageovereenkomst;
2° de supervisie van de kandidaat verzekerd wordt door een erkende stagemeester en een stageteam;
3° een overeenkomst wordt gesloten tussen de coördinerend stagemeester, de kandidaat-specialist of de kandidaat-huisarts en het diensthoofd van de dienst waarbinnen de medische activiteiten met betrekking tot de COVID-19-crisis, worden volbracht.
In deze overeenkomst worden minstens de modaliteiten van de stage, de billijke vergoeding, de eindtermen van de stage evenals de modaliteiten op basis waarvan de kandidaat-specialist of de kandidaat-huisarts de voordelen van een beroepsverzekering geniet, vastgesteld.
Indien deze overeenkomst niet kan worden gesloten, attesteert de erkende stagemeester of diensthoofd van de dienst waar de activiteiten in verband met de COVID-19-epidemie of -pandemie worden verricht, welke activiteiten, prestaties, ... de kandidaat heeft uitgevoerd en hoeveel aantal maanden voltijdse (of pro rata temporis deeltijdse) stage hij gepresteerd heeft;
4° het medische activiteiten betreffen om de gevolgen van de COVID-19-epidemie/pandemie op te vangen.
5° de totale opleidingsduur niet verkort wordt;
6° de eindcompetenties zoals omschreven in de specifieke besluiten inzake erkenningsvoorwaarden bereikt worden.
Art. 2. De periode bedoeld in artikel 1 kan, in voorkomend geval, door de Koning worden verlengd in functie van de noden die verband houden met de COVID-19-crisis.
Na afloop van de bijzondere machten, door het federaal parlement toegekend, zullen de bekrachtigde bepalingen opnieuw, opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen kunnen worden door de Koning indien tenminste daartoe een materiële rechtsgrond voorhanden is.
Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 4. De minister bevoegd voor Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 5 juni 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid,
M. DE BLOCK.

 

ASGB-BERICHT

2020.127

 

Tijdens de vergadering van de medicomut op 6 juli 2020 stond opnieuw ter discussie of de wachtposten, die gestart waren met het organiseren van een weekwacht tijdens de coronapiek, daarmee verder konden gaan.

0
ASGB-BERICHT

2020.119

 

Tijdens de vergadering van het Verzekeringscomité van maandag 15 juni 2020 werden de grote lijnen uitgewerkt van een systeem voor financiële tussenkomst voor het beschermingsmateriaal en op 29 juni 2020 werd het ontwerp KB goedgekeurd.

Het KB 2O had uitdrukkelijk gesteld dat er geen extra kosten aan de patiënt hiervoor mogen worden aangerekend, maar dat een regeling zou worden uitgewerkt. Er werd daarom een werkgroep opgericht door het Verzekeringscomité en de zaak is ook besproken tijdens de medicomut van 8 juni.

Voor de artsen komt de regeling hierop neer:

2
ASGB-BERICHT

ASGB-BERICHT 2020.135

 Geachte collega

Na het invoeren van de nieuwe beroepstitels klinische infectiologie en medische microbiologie moet daarvoor nu ook de erkennings- en expertencommissie worden samengesteld.

Bij deze de vraag wie van onze leden hierin geïnteresseerd is.

U kan het secretariaat contacteren op asgb@telenet.be

met collegiale groeten, het ASGB-bestuur

0