Aanpassingen sociaal statuut

ASGB-BERICHT 2020.113
Icoon thema staatsblad

 

In het BS van 26/5/2020 verscheen een KB i.v.m. de nieuwe modaliteiten voor het Riziv sociaal statuut.

Dit is de wettelijke basis voor het elektronisch beheer van het Sociaal Statuut. Daardoor is aanvraagprocedure sterk vereenvoudigd. Iedereen die een lopend contract pensioenvorming/arbeidsongeschiktheid heeft bij een verzekeraar, krijgt automatisch in de loop van het jaar t+1  van het RIZIV een voorstel voor het bedrag van het Sociaal Statuut voor het premiejaar t. Als men daarmee akkoord is, volgt automatisch betaling. Er is een beroepsprocedure voorzien. Men kan zijn contractgegevens controleren en desgewenst wijzigen via MyRiziv.

Deze veranderingen verlopen in etappes. De verzekeraars hebben de afgelopen weken de gelegenheid gehad de contracten op te laden. Artsen krijgen begin 2021 toegang tot hun online dossier m.b.t. het premiejaar 2020.

Via deze link kunt deze informatie nalezen op de website van het RIZIV.

In de bijgevoegde slides vindt u tal van verschillende scenario’s terug.


 

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

5 MEI 2020. - Koninklijk besluit tot instelling van een regeling van sociale en andere voordelen aan sommige zorgverleners die geacht worden te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten

FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, artikel 54, vervangen bij wet van 30 oktober 2018;
Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1971 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige apothekers;
Gelet op het koninklijk besluit van 23 januari 2004 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige kinesitherapeuten;
Gelet op het koninklijk besluit van 6 maart 2007 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige geneesheren;
Gelet op het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige tandheelkundigen;
Gelet op het koninklijk besluit van 27 november 2016 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige logopedisten;
Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 2017 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige verpleegkundigen;
Gelet op het koninklijk besluit van 24 september 2019 tot instelling van een regeling van voordelen aan zorgverleners die geacht worden te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten na opname van het wettelijk rustpensioen;
Gelet op het advies van de Nationale commissie artsen-ziekenfondsen, gegeven op 20 mei 2019;
Gelet op het advies van de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, gegeven op 29 augustus 2019;
Gelet op het advies van de Nationale commissie apothekers-verzekeringsinstellingen, gegeven op 7 juni 2019;
Gelet op het advies van de Overeenkomstencommissie kinesitherapeuten-verzekeringsinstellingen, gegeven op 28 mei 2019;
Gelet op het advies van de Overeenkomstencommissie logopedisten-verzekeringsinstellingen, gegeven op 23 mei 2019;
Gelet op het advies van de Overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen, gegeven op 22 mei 2019;
Gelet op het advies van de Commissie voor begrotingscontrole, gegeven op 2 oktober 2019;
Gelet op het advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, gegeven op 30 september 2019;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 december 2019;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 5 februari 2020;
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikels 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op advies 67.055/2 van de Raad van State, gegeven op 20 maart 2020 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Er wordt een regeling van sociale voordelen ingesteld tot contractuele vestiging van hetzij een rente, een pensioen of een kapitaal in geval van rust, hetzij een rente een pensioen of een kapitaal bij overlijden, hetzij een rente of een pensioen ingeval van invaliditeit, hetzij verscheidene van die renten, pensioenen of kapitalen, voor sommige zorgverleners die als verbintenis tot het garanderen van tariefzekerheid geacht worden te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten gesloten door de organen zoals bedoeld in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 - hieronder "de wet" genoemd -, evenals een premie andere voordelen voor deze zorgverleners welke het wettelijk rustpensioen hebben opgenomen.
Art. 2. De sociale en andere voordelen worden ingesteld voor de hiernavolgende beroepsgroepen van zorgverleners:
- Apothekers;
- Artsen;
- Kinesitherapeuten;
- Logopedisten;
- Tandheelkundigen;
- Verpleegkundigen.
Art. 3. § 1. Teneinde voor de sociale voordelen in aanmerking te komen dient de zorgverlener gedurende het gehele referentiejaar voor de premie - hieronder premiejaar genoemd -:
1° Met uitzondering van de apothekers en de verpleegkundigen, een erkenning te bezitten in de respectievelijke beroepsgroep of te beschikken over een door de bevoegde instantie goedgekeurd stageplan met het oog op het bekomen van deze erkenning;
2° daadwerkelijk activiteiten uit te oefenen in het kader van de wet; wat betreft verpleegkundigen dient dit te gebeuren als zelfstandige in hoofdberoep behoudens voor wat betreft het jaar waarin dit statuut voor het eerst werd aangenomen;
3° te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten gesloten door de organen zoals bedoeld in artikel 26 van de wet, hetzij voor de uitoefening van hun volledige beroepsactiviteit, hetzij onder de voorwaarden inzake tijd en plaats die aan de zetel van de Nationale commissie artsen-ziekenfondsen hetzij de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen werden medegedeeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 50, § 3, van de wet.
§ 2. De zorgverlener is, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54, § 3, van de wet, van de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 vrijgesteld voor de perioden van inactiviteit zoals voorzien in artikel 7, § 2.
Art. 4. De validatie van de erkenning gebeurt uitsluitend op basis van de gegevens die door de daartoe bevoegde autoriteiten aan het RIZIV zijn meegedeeld.
Art. 5. De toetreding tot de akkoorden of overeenkomsten wordt uitsluitend gevalideerd aan de hand van de gegevens geregistreerd bij het RIZIV in uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de wet.
Art. 6. Het sociale voordeel bestaat uit een aandeel van het RIZIV in de contributies voor overeenkomsten die een vervangingsinkomen garanderen bij invaliditeit of voor pensioenovereenkomsten die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in artikel 46, § 1, van de programmawet van 24 december 2002, of voor pensioenstelsels of bij ontstentenis van dergelijke stelsels, voor de overeenkomsten gesloten bij een pensioeninstelling, erkend in toepassing van artikel 22 van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, voor zover die stelsels of overeenkomsten voldoen aan de voorwaarde bedoeld in voormeld artikel 46, § 1.
Art. 7. § 1. De berekening van het aandeel geschiedt aan de hand van een activiteitsdrempel geformuleerd als hetzij een bedrag van terugbetalingen van aangerekende verstrekkingen opgenomen in de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, hetzij een aantal dergelijke verstrekkingen of waarden, hetzij een gemiddelde wekelijkse beroepsactiviteit, geboekt in het premiejaar. Indien de minimale activiteitsdrempel niet wordt behaald wordt de zorgverlener niet geacht aan de toekenningsvoorwaarden voor sociale voordelen zoals voorzien in artikel 3 te voldoen.
§ 2. De activiteitsdrempel wordt verminderd als het premiejaar dagen inactiviteit bevatte; het verminderingspercentage is gelijk aan het percentage werkdagen inactiviteit in verhouding tot 222 dagen theoretische activiteit per jaar. Onder werkdagen worden verstaan alle dagen behalve zaterdag, zondag en de wettelijke feestdagen. Onder dagen inactiviteit worden verstaan:
1) de dagen die worden gelijkgesteld met de dagen voor de berekening van het wettelijk pensioen die voortvloeien uit :
- een ziekte, een arbeidsongeval of een beroepsziekte die een ongeschiktheid tot gevolg heeft als bedoeld in de wet of in het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;
- de dagen vermeld in artikel 93 van voornoemd koninklijk besluit van 20 juli 1971;
- de dagen (inactiviteit) ten gevolge van de in artikel 32, eerste lid, 2° en 4° en artikelen 114 en 114bis, van de wet bedoelde zwangerschapsrust;
- vaderschapsverlof bedoeld in artikel 30, § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2) de werkdagen waarop de zorgverlener een door de bevoegde instantie goedgekeurde stage loopt in het buitenland hetzij een duurzame medische activiteit uitoefent in het buitenland van minimaal één maand;
3) de werkdagen van inactiviteit voorafgaand aan de toekenning van het eerste RIZIV-nummer van de zorgverlener dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, § 1, 1° ;
§ 3. De zorgverlener die is overleden in het premiejaar wordt voor de berekening van het aandeel geacht in dit premiejaar de maximale activiteitsdrempel waarvoor alsnog premie verschuldigd is, te hebben bereikt, onder voorbehoud van het bepaalde inzake zorgverleners die voorwaarden inzake tijd en plaats hebben meegedeeld.
§ 4. De totale perioden van inactiviteit mogen niet het gehele premiejaar dekken. In dergelijk geval wordt de zorgverlener geacht de activiteitsdrempel niet te hebben behaald, onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 6, 2), laatste lid, eerste streepje, en paragraaf 6, 5), laatste lid, eerste streepje, wat betreft zorgverleners met een stageplan goedgekeurd door de bevoegde instantie
§ 5. De berekening van de activiteitsdrempel geformuleerd als een bedrag van terugbetalingen of een aantal dergelijke verstrekkingen of waarden geschiedt uitsluitend op basis van de verstrekkingen die op de persoonlijke naam van de zorgverlener werden geboekt, aangevuld met de verstrekkingen welke individueel door de zorgverlener werden gepresteerd, maar legaal werden geboekt op naam van een derde, mits schriftelijk bewijs van deze constructie en een verklaring op eer van de verantwoordelijke derde welk aandeel verstrekkingen voor het gehele premiejaar aan de individuele zorgverlener dient te worden toegekend.
§ 6. De activiteitsdrempels worden vastgesteld als volgt:
1) Apothekers
Voor het premiejaar 2019 wordt het aandeel vastgesteld op 1.504,88 euro voor een minimale gemiddelde activiteitsdrempel van 19 uur per week; op 2.257,31 euro voor een minimale gemiddelde activiteitsdrempel van 28 uur per week; op 3.009,75 euro voor een minimale gemiddelde activiteitsdrempel van 38 uur per week.
Een apotheker-titularis wordt van rechtswege geachte een minimale activiteitsdrempel van 38 uur per week te bereikt hebben.
2) Artsen
Voor het premiejaar 2020 wordt het aandeel vastgesteld op 5.037,70 euro bij het bereiken van de minimale activiteitsdrempel.
Deze activiteitsdrempel wordt uitgedrukt in een minimumbedrag van terugbetalingen van aangerekende verstrekkingen zoals gespecificeerd in bijlage bij dit besluit.
Deze activiteitsdrempel kan tevens worden uitgedrukt in een minimale gemiddelde wekelijkse beroepsactiviteit van 13 uur per week voor de volgende artsen:
- Artsen die gedurende het premiejaar effectief prestaties hebben geleverd welke ten laste worden genomen door de verplichte verzekering geneeskundige verzorging, zonder dat deze evenwel vervat zijn in de individueel aanrekenbare geboekte verstrekkingen.;
- Artsen die gedurende het premiejaar effectief met de verplichte verzekering geneeskundige verzorging hebben samengewerkt teneinde klinische taken te vervullen welke een bijdrage vormen aan de uitvoering van de uitvoering van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging, zonder dat deze evenwel vervat zijn in de individueel aanrekenbare geboekte verstrekkingen of zonder daarom noodzakelijk zelf verstrekkingen te presteren.
Artsen kunnen zich erop beroepen de activiteitsdrempel te hebben bereikt door een cumul van de terugbetaling van verstrekkingen en de prestaties gepreciseerd in de voorgaande leden waarbij de activiteit wordt berekend als totaal van de breuken ten aanzien van de respectievelijke activiteitsdrempel.
Artsen die, al dan niet met beroep op het voorgaande lid, een totaal bereiken dat minimaal de helft van de activiteitsdrempel bedraagt, hebben voor het premiejaar 2020 recht op een aandeel vastgesteld op 2.376,40 euro.
Voor artsen die voor het premiejaar voorwaarden inzake tijd en plaats aan de zetel van de Nationale commissie artsen-ziekenfondsen hebben medegedeeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 50, § 3, van de wet, wordt het aandeel voor het premiejaar 2020 herleid tot 2.376,40 euro; zij kunnen geen beroep doen op het voorgaande lid.
Artsen die:
- gedurende een deel of het geheel van het premiejaar gemachtigd zijn de geneeskunde in België uit te oefenen en die beschikken over een stageplan goedgekeurd door de bevoegde instantie;
- of welke op 1 januari van het premiejaar minder dan 5 jaar beschikken over een RIZIV-nummer voorbehouden voor de erkende huisarts of arts-specialist,
worden geacht de activiteitsdrempel te hebben behaald.
3) Kinesitherapeuten
Voor het premiejaar 2019 wordt het aandeel vastgesteld op 1.489,59 euro voor een minimale activiteitsdrempel van 1.500 verstrekkingen hetzij 36.000 M-waarden; op 1.968,38 euro voor een minimale activiteitsdrempel van 2.300 verstrekkingen hetzij 55.200 M-waarden; op 2.633,39 euro voor een minimale activiteitsdrempel van 3.000 verstrekkingen hetzij 72.000 M-waarden opgenomen in artikel 7 van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1984.
Geen bijdrage wordt gestort voor de kinesitherapeut die in het premiejaar hetzij meer dan 6.500 verstrekkingen hetzij meer dan 156.000 M-waarden heeft verleend.
4) Logopedisten
Voor het premiejaar 2019 wordt het aandeel vastgesteld op 1.268,93 euro voor een minimale activiteitsdrempel van 900 verstrekkingen hetzij 15.750 R-waarden; op 2.617,15 euro voor een minimale activiteitsdrempel van 2000 verstrekkingen hetzij 35.000 R-waarden opgenomen in artikel 36 van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1984.
Geen bijdrage wordt gestort voor de logopedist die in het premiejaar hetzij meer dan 4000 verstrekkingen hetzij meer dan 70.000 R-waarden heeft verleend.
5) Tandheelkundigen
Voor het premiejaar 2020 wordt het aandeel vastgesteld op 2.429,06 euro voor een minimale activiteitsdrempel van 300 geboekte prestaties in het premiejaar zoals opgenomen in de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1984..
Tandheelkundigen die:
- gedurende een deel of het geheel van het premiejaar gemachtigd zijn de tandheelkunde in België uit te oefenen en die beschikken over een stageplan goedgekeurd door de bevoegde instantie;
- of welke op 1 januari van het premiejaar minder dan 5 jaar beschikken over een RIZIV-nummer voorbehouden voor de erkende tandheelkundige,
worden geacht de activiteitsdrempel te hebben behaald.
6) Verpleegkundigen
Voor het premiejaar 2019 wordt het aandeel vastgesteld op 528,72 euro voor een minimale activiteitsdrempel van 33.000 euro van terugbetalingen van aangerekende verstrekkingen opgenomen in artikel 8 van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1984.
Geen bijdrage wordt gestort voor de verpleegkundige die in het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft, meer dan 150.000 euro terugbetalingen van aangerekende verstrekkingen heeft gepresteerd.
§ 7. Het bedrag van het aandeel wordt proportioneel en onder toepassing van alle overige bepalingen van dit besluit, in bijzonder artikel 7, § 6, 2), laatste lid, hetwelk prioriteit krijgt over deze bepaling, toegekend aan de zorgverlener die voor de eerste keer tot het akkoord of de overeenkomst toetreedt bij de toekenning van zijn eerste RIZIV-nummer en dit overeenkomstig diens dienst periode van toetreding in een breuk van volledige maanden per kalenderjaar.
Art. 8. § 1. In alternatief op het aandeel voorzien in artikel 7, § 6, 2), kan een arts die hiervoor expliciet kiest in plaats van het volledig aandeel in het eerste lid van voornoemd artikel genieten van een bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gereserveerd recht op hetzij een pensioen ingeval van rust, hetzij een pensioen bij overlijden, hetzij beide pensioenen, mits dit gereserveerd recht voor de eerste keer gereserveerd werd voor aanvang van het jaar 2017.
§ 2. Voor zover de arts de in dit besluit vermelde voorwaarden inzake sociale voordelen vervult, wordt dit voordeel hetzij aan hemzelf, hetzij aan zijn weduwe of haar weduwnaar en zo niet aan de persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats als de betrokken arts ingeschreven is, toegekend.
§ 3. Het recht op een rustpensioen wordt in hoofde van de geopend op de eerste dag van de maand volgend op zijn zestigste verjaardag, op voorwaarde dat het wettelijk rustpensioen opgenomen werd en een aanvraag wordt gericht aan de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
§ 4. Het bedrag van het rustpensioen wordt vastgesteld op 6.029,69 euro voor premiejaar 2020 voor elke arts die sedert ten vroegste 1 januari 1983 en tot zijn zestigste verjaardag gedurende dertig jaar is toegetreden tot de termen van de akkoorden artsen-ziekenfondsen en gedurende dertig jaar de aanvraag tot gereserveerd recht heeft ingediend.
Indien de arts op zijn zestigste verjaardag en sedert ten vroegste 1 januari 1983 voor minder dan dertig jaar was toegetreden tot de termen van de akkoorden artsen-ziekenfondsen en de aanvraag tot gereserveerd recht heeft ingediend, dan wordt het rustpensioen bepaald op een bedrag gelijk aan het bedrag voorzien in het vorige lid, vermenigvuldigd met een breuk die als teller het aantal jaren dat de arts is toegetreden tot de akkoorden en de aanvraag tot gereserveerd recht heeft ingediend, en als noemer het getal dertig heeft.
Voor de arts die op zijn zestigste verjaardag minder dan dertig jaar toetreding tot de akkoorden artsen-ziekenfondsen telt, worden de jaren toetreding na zijn zestigste verjaardag in meerdering gebracht van het aantal jaren dat hij op zijn zestigste verjaardag totaliseert. Uitzondering wordt evenwel gemaakt voor de jaren dat de betrokken arts geniet van het in dit artikel bedoeld voordeel.
De arts die minder dan tien jaar is toegetreden tot de termen van de akkoorden artsen-ziekenfondsen, of die voor minder dan tien jaar de in aanvraag tot gereserveerd recht heeft ingediend, heeft geen recht op rustpensioen.
§ 5. Het recht op een overlevingspensioen wordt in hoofde van de weduwe of de weduwnaar van de in dit artikel bedoelde arts en zo niet aan de persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats als de betrokken arts ingeschreven is, geopend op de eerste dag van de maand volgend op het overlijden van de arts.
Het bedrag van het overlevingspensioen wordt vastgesteld op 5.024,88 euro voor premiejaar 2020 voor de overlevende echtgeno(o)t(e) van de arts en zo niet aan de persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats als de betrokken arts ingeschreven is die sedert ten vroegste 1 januari 1983 gedurende dertig jaar is toegetreden tot de termen van de akkoorden artsen-ziekenfondsen en gedurende dertig jaar aanvraag tot gereserveerd recht heeft ingediend.
Indien de arts bij zijn overlijden en sedert ten vroegste 1 januari 1983 voor minder dan dertig jaar was toegetreden tot de termen van de akkoorden artsen-ziekenfondsen en de aanvraag tot gereserveerd recht heeft ingediend, dan wordt het overlevingspensioen vastgesteld op een bedrag gelijk aan het bedrag voorzien in het vorige lid, vermenigvuldigd met een breuk die als teller het aantal jaren dat de arts is toegetreden tot de akkoorden en de aanvraag tot gereserveerd recht heeft ingediend, en als noemer het getal dertig heeft.
Het recht op overlevingspensioen wordt voorbehouden aan de overlevende echtgeno(o)t(e) die minstens één jaar gehuwd is met de overleden arts en zo niet aan de persoon met wie hij of zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die minstens één jaar in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats als de betrokken arts ingeschreven is. Indien de overlevende echtgeno(o)t(e) of de hierboven bedoelde persoon jonger is dan de overleden arts wordt het overlevingspensioen verminderd met 2 pct. per jaar leeftijdsverschil tussen tien en twintig jaar, en met 4 pct. per jaar leeftijdsverschil boven twintig jaar. Indien het huwelijk werd afgesloten na de zestigste verjaardag van de arts, dan wordt het overlevingspensioen verminderd met 6 pct. per jaar leeftijdsverschil boven tien jaar.
Het genot van het overlevingspensioen vervalt als de overlevende echtgeno(o)t(e) hertrouwt of hij/zij samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met een persoon die in het Rijksregister op hetzelfde adres van hoofdverblijfplaats ingeschreven is. Dit genot vervalt ook als de overlevende samenwoonde persoon trouwt of opnieuw samenwoont met een persoon, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, die in het Rijksregister op hetzelfde adres van de hoofdverblijfplaats ingeschreven is.
Art. 9. § 1. Er worden andere voordelen ingesteld voor sommige zorgverleners die het wettelijk rustpensioen hebben opgenomen en die geacht worden te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten gesloten door de organen zoals bedoeld in artikel 1.
§ 2. Deze andere voordelen bestaan in een premie andere voordelen waarvan het bedrag identiek is aan het bedrag van het aandeel van het sociaal voordeel voor het desbetreffende premiejaar, zoals vastgelegd in artikel 7;
§ 3. Teneinde voor de premie andere voordelen in aanmerking te komen dient de zorgverlener:
1° in of voorafgaand aan het premiejaar het wettelijk rustpensioen te hebben opgenomen;
2° te voldoen aan de voorwaarden inzake sociale voordelen vastgelegd in artikel 3;
3° geen sociaal voordeel te hebben ontvangen of geen gereserveerd recht te hebben opgebouwd voor het desbetreffende premiejaar;
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt in artikel 7, § 2 als erkende dagen inactiviteit toegevoegd de (werk)dagen van inactiviteit volgend op de datum in het premiejaar waarvan de zorgverlener verklaart hierop zijn professionele beroepsactiviteit definitief te hebben stopgezet. Deze zullen worden verrekend ten belope van 222/250e.
Art. 10. Vanaf het premiejaar 2020 en voor zover voor de specifieke beroepsgroep en voor het specifieke premiejaar geen bijzonder bedrag werd vastgesteld, worden de laatst vastgestelde bedragen, bedoeld in artikelen 7 en 8, binnen de perken van de beschikbare kredieten in het premiejaar aangepast aan de evolutie van de waarde van het rekenkundig gemiddelde van het gezondheidsindexcijfer van de maand juni en de indexcijfers der drie voorafgaande maanden van het tweede jaar ervoor en van het rekenkundig gemiddelde van het gezondheidsindexcijfer van de maand juni en de indexcijfers der drie voorafgaande maanden van het jaar ervoor, overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 december 1997 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten voor de indexering van de prestaties in de regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.
Art. 11. § 1. De zorgverlener welke is toegetreden tot het hem betreffende akkoord of overeenkomst dient de aanvraag tot het verkrijgen van sociale of andere voordelen schriftelijk in bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering kan bepalen dat deze aanvraag bij brief, hetzij op een geïnformatiseerde manier wordt aangeleverd, hetzij een combinatie van deze beide.
Het RIZIV kan bepalen dat onder zorgverleners wordt verstaan de zorgverlener of diens gemandateerde derde, voor een deel of het geheel van de procedure.
§ 2. De aanvraag bevat minimaal hiernavolgende gegevens:
- De verklaring een aanvraag te willen doen voor sociale voordelen hetzij in de vorm van een aandeel van het RIZIV in de bijdragen voor overeenkomsten hetzij een gereserveerd recht, of andere voordelen;
- De gegevens inzake de activiteitsdrempel zoals voorzien in artikel 7, met name een specificatie van de bereikte activiteitsdrempel, evenals desgevallend verklaring van de datum in het premiejaar waarvan de zorgverlener verklaart hierop zijn professionele beroepsactiviteit definitief te hebben stopgezet;
- Desgevallend een verklaring dat voor het referentiejaar een overeenkomst werd afgesloten zoals voorzien in artikel 6 en de specificaties hiervan;
- Desgevallend de onderneming of instelling waaraan de bijdragen dienen te worden gestort evenals de financiële gegevens hiervan hetzij wat betreft een premie andere voordelen het rekeningnummer en de titularis hiervan.
Een aanvraag die deze gegevens niet bevat is onontvankelijk, voor zover deze gegevens in de aanvraag niet uitdrukkelijk door het RIZIV ter beschikking worden gesteld.
Zorgverleners welke zich, al dan niet expliciet, beroepen op een activiteitsdrempel geformuleerd als hetzij een minimumbedrag van terugbetalingen van aangerekende verstrekkingen opgenomen in de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, hetzij een aantal dergelijke verstrekkingen of waarden, worden geacht dit te doen onder een verklaring op erewoord. Deze verklaring geldt als weerlegbaar bewijs en kan worden weerlegd door de profielgegevens verzameld door de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering op 1 juni van het jaar volgend op het premiejaar. Deze profielgegevens gebaseerd op de geboekte verstrekkingen binnen de bovengenoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 in het premiejaar gelden als onweerlegbaar bewijs.
Zorgverleners welke zich beroepen op verstrekkingen welke individueel door de zorgverlener werden gepresteerd, maar legaal werden geboekt op naam van een derde, zoals voorzien in artikel 7, § 5, voegen hiervan het bewijs toe. Verificatie en weerlegging van dit bewijs is onder meer mogelijk aan de hand van de gegevens verzameld in het kader van de profielen door de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en/of aan de hand van de registratie van de gegevens, zoals bepaald in de regels betreffende het sluiten van de akkoorden met het oog op de forfaitaire betaling van de verstrekkingenoe.
Zorgverleners die zich beroepen op het bereiken van een activiteitsdrempel (deels) uitgedrukt in gemiddelde wekelijkse beroepsactiviteit voegen hiervan het schriftelijke bewijs toe.
Zorgverleners die zich beroepen op inactiviteit in het premiejaar wegens omstandigheden zoals voorzien in artikel 7, § 2 maken hiervan melding in de aanvraag. Deze melding gaat vergezeld van een schriftelijk bewijs, voor zover deze gegevens niet reeds uitdrukkelijk door het RIZIV ter beschikking worden gesteld. Wat de inactiviteit voorzien in dit artikel onder § 2, 1), betreft bestaat dit schriftelijk bewijs uit een kopie van de erkenning van de arbeidsongeschiktheid door de adviserend arts, van de wetsverzekeraar of van het fonds voor beroepsziekten, een attest van de werkgever of een ziekenfonds voor zover deze gegevens niet reeds door het RIZIV worden verklaard in de aanvraag.
§ 3. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bepaalt het modelformulier om deze gegevens aan te leveren voor 1 juli van het jaar volgend op het premiejaar.
Het RIZIV kan bepalen dat een deel van de vereiste of nuttige gegevens (waaronder in bijzonder inbegrepen specificatie, nummer, ingangs- en vervaldatum van contract evenals rekeningnummers) wordt aangeleverd via de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening of verzekeringsondernemingen en kan deze gegevens ter beschikking stellen van de zorgverlener. Het RIZIV kan bepalen dat deze gegevens beschikbaar dienen te zijn op een datum die aan de periode bepaald in § 4 vooraf gaat en ten vroegste vanaf 15 april van het jaar volgend op het premiejaar.
§ 4. De aanvraag moet op straffe van verval worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging binnen een termijn die aanvangt op 1 juli en eindigt op 31 augustus van het jaar volgend op het premiejaar.
Indien het modelformulier pas vanaf of na 1 juli ter beschikking wordt gesteld, wordt de termijn voor het indienen verlengd met 1 kalendermaand per kalendermaand die is aangevangen vanaf 1 juli.
§ 5. Ontvankelijke aanvragen, kunnen, na uitnodiging door de Dienst voor geneeskundige verzorging, op straffe van onontvankelijkheid, binnen de 60 dagen na uitnodiging aangevuld worden, volgens de modaliteiten te bepalen door Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Indien overeenkomstig § 4 de termijn tot aanvraag werd verlengd, dat wordt de termijn tot aanvulling verlengd voor eenzelfde periode.
Art. 12. De Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering betaalt uiterlijk vóór 15 januari van het tweede jaar volgend op het premiejaar.
Indien overeenkomstig artikel 11, § 4 de termijn tot aanvraag werd verlengd, dan wordt de termijn tot uitbetaling verlengd voor eenzelfde periode.
Indien overeenkomstig artikel 11, § 5 bijkomende informatie werd opgevraagd, dan wordt de termijn tot uitbetaling verlengd voor eenzelfde periode als de maximale termijn voor aanvulling.
Art. 13. Zorgverleners waarvan wordt vastgesteld dat de aanvraag niet aan de voorwaarden voldoet en waarvan overeenkomstig wordt vastgesteld dat het bedrag van de sociale of andere voordelen niet kan worden toegekend of dient te worden teruggevorderd, worden hiervan door de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering schriftelijk in kennis gesteld, het zij bij brief, hetzij via geïnformatiseerde weg. De zorgverlener heeft de mogelijkheid om deze beslissing te betwisten, op straffe van onontvankelijkheid, binnen de zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing per aangetekende brief aan de leidend ambtenaar van de Dienst Geneeskundige Verzorging van het RIZIV hetzij via een geïnformatiseerde methode waarin het RIZIV kan voorzien. De betwisting wordt afgehandeld door de leidend ambtenaar of diens gemachtigde binnen de Dienst Geneeskundige Verzorging van het RIZIV.
Art. 14. Het koninklijk besluit van 18 maart 1971 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige apothekers, het koninklijk besluit van 23 januari 2004 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige kinesitherapeuten, het koninklijk besluit van 6 maart 2007 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige geneesheren, het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige tandheelkundigen, het koninklijk besluit van 27 november 2016 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige logopedisten, het koninklijk besluit van 21 december 2017 tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige verpleegkundigen en het koninklijk besluit van 24 september 2019 tot instelling van een regeling van voordelen aan zorgverleners die geacht worden te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten na opname van het wettelijk rustpensioen worden opgeheven.
Art. 15. Dit besluit is van toepassing vanaf het premiejaar 2019 voor de sector van de apothekers, kinesitherapeuten, logopedisten en verpleegkundigen; het is van toepassing vanaf het premiejaar 2020 voor de sector van de artsen en tandheelkundigen.
Art. 16. De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 5 mei 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
M. DE BLOCK

BIJLAGE: Minimumbedragen aan terugbetalingen van verstrekkingen, opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, geboekt in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

Bijzondere beroepstitels/Residuaire categorie

Activiteitsdrempel

Verlaagde activiteitsdrempel

Huisarts

25.000,00 EUR

12.500,00 EUR

Arts-specialist in de anesthesie-reanimatie

56.393,89 EUR

28.196,94 EUR

Arts-specialist in de heelkunde

51.498,05 EUR

25.749,02 EUR

Arts-specialist in de neurochirurgie

64.757,77 EUR

32.378,89 EUR

Arts-specialist in de plastische, reconstructieve en esthetische heelkunde

25.000,00 EUR

12.500,00 EUR

Arts-specialist in de geriatrie

51.879,60 EUR

25.939,80 EUR

Arts-specialist in de gynaecologie-verloskunde

44.455,33 EUR

22.227,66 EUR

Arts-specialist in de oftalmologie

55.607,11 EUR

27.803,56 EUR

Arts-specialist in de otorhinolaryngologie

56.272,26 EUR

28.136,13 EUR

Arts-specialist in de urologie

57.193,42 EUR

28.596,71 EUR

Arts-specialist in de orthopedische heelkunde

59.471,30 EUR

29.735,65 EUR

Arts-specialist in de stomatologie

75.000,00 EUR

37.500,00 EUR

Arts-specialist in de dermato-venereologie

28.812,57 EUR

14.406,29 EUR

Arts-specialist in medische oncologie

28.574,68 EUR

14.287,34 EUR

Arts-specialist in de inwendige geneeskunde

40.661,02 EUR

20.330,51 EUR

Arts-specialist in de pneumologie

52.310,07 EUR

26.155,03 EUR

Arts-specialist in de gastro-enterologie

67.362,07 EUR

33.681,03 EUR

Arts-specialist in de pediatrie

25.000,00 EUR

12.500,00 EUR

Arts-specialist in de cardiologie

75.000,00 EUR

37.500,00 EUR

Arts-specialist in de neuropsychiatrie

25.000,00 EUR

12.500,00 EUR

Arts-specialist in de neurologie

41.522,06 EUR

20.761,03 EUR

Arts-specialist in de psychiatrie

25.000,00 EUR

12.500,00 EUR

Arts-specialist in de reumatologie

34.191,67 EUR

17.095,83 EUR

Arts-specialist in de fysische geneeskunde en de revalidatie

75.000,00 EUR

37.500,00 EUR

Arts-specialist in de klinische biologie

75.000,00 EUR

37.500,00 EUR

Arts-specialist in de pathologische anatomie

75.000,00 EUR

37.500,00 EUR

Arts-specialist in de röntgendiagnose

75.000,00 EUR

37.500,00 EUR

Arts-specialist in de radiotherapie-oncologie

75.000,00 EUR

37.500,00 EUR

Arts-specialist in de nucleaire geneeskunde

75.000,00 EUR

37.500,00 EUR

Arts-specialist in de acute geneeskunde

25.000,00 EUR

12.500,00 EUR

Arts-specialist in de urgentiegeneeskunde

28.619,02 EUR

14.309,51 EUR

Huisarts op basis van verworven rechten zoals bedoeld in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen

25.000,00 EUR

12.500,00 EUR

Arts zonder bijzondere beroepstitel en zonder verworven rechten

25.000,00 EUR

12.500,00 EUR

Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 5 mei 2020 tot instelling van een regeling van sociale en andere voordelen aan sommige zorgverleners die geacht worden te zijn toegetreden tot de hen betreffende akkoorden of overeenkomsten.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
M. DE BLOCK

ASGB-BERICHT

2020.127

 

Tijdens de vergadering van de medicomut op 6 juli 2020 stond opnieuw ter discussie of de wachtposten, die gestart waren met het organiseren van een weekwacht tijdens de coronapiek, daarmee verder konden gaan.

0
ASGB-BERICHT

2020.119

 

Tijdens de vergadering van het Verzekeringscomité van maandag 15 juni 2020 werden de grote lijnen uitgewerkt van een systeem voor financiële tussenkomst voor het beschermingsmateriaal en op 29 juni 2020 werd het ontwerp KB goedgekeurd.

Het KB 2O had uitdrukkelijk gesteld dat er geen extra kosten aan de patiënt hiervoor mogen worden aangerekend, maar dat een regeling zou worden uitgewerkt. Er werd daarom een werkgroep opgericht door het Verzekeringscomité en de zaak is ook besproken tijdens de medicomut van 8 juni.

Voor de artsen komt de regeling hierop neer:

2
ASGB-BERICHT

ASGB-BERICHT 2020.135

 Geachte collega

Na het invoeren van de nieuwe beroepstitels klinische infectiologie en medische microbiologie moet daarvoor nu ook de erkennings- en expertencommissie worden samengesteld.

Bij deze de vraag wie van onze leden hierin geïnteresseerd is.

U kan het secretariaat contacteren op asgb@telenet.be

met collegiale groeten, het ASGB-bestuur

0