Persmededeling: (on)duidelijkheid over GMD vanaf 1 april 2011*

ASGB-BERICHT 2011.064

Geachte Collega,

Het RIZIV geeft verduidelijking bij de derdebetalersregeling (DBR) voor het GMD vanaf 1 april 2011[1].

Als artsenvertegenwoordigers hebben wij ons altijd verzet tegen de verplichte inning via derde betaler van de raadpleging of het huisbezoek indien ook het GMD op deze wijze geïnd wordt. Zowel voor de arts als voor de patiënt is het moeilijk uit te leggen dat een raadpleging met GMD maar een fractie van het honorarium zal kosten, terwijl voor de volgende raadplegingen deze derdebetalersregeling dan weer verboden is. Zulke regeling kan alleen maar bedacht worden door instanties die veraf staan van de dagelijkse praktijk.

Bijkomend stelt zich het probleem van de groepspraktijken die de via DRB betaalde GMD-honoraria gebruiken om een eerlijke verdeling van de gemeenschappelijke kosten na te streven. Indien de onderliggende raadpleging verplicht ook via DBR betaald worden, dan vervalt heel de logica van deze financiële regeling,

Indien de verplichte inning onafwendbaar blijkt te zijn, dan stelt het ASGB voor om voor het GMD en de raadpleging op een apart getuigschrift te attesteren, en deze te laten betalen op een aparte rekeningnummers. Dit zal voorkomen dat het hele boekhoudkundige systeem van vele praktijken moet omgegooid worden.

Op dit ogenblik is er hierover tegenstrijdigheid, want nu geldt het verbod op DBR voor een gewone raadpleging. Het ASGB heeft hierover verduidelijking gevraagd aan het RIZIV, maar wacht nog op antwoord.

Verder eist het ASGB een uniforme afhandeling – binnen de 30 kalenderdagen – van alle getuigschriften (omnio + GMD + alle andere uitzonderingen), en een eenvormige werkwijze bij alle landsbonden.

Dr. Paul Putzeys – Bestuurslid

Dr. Reinier Hueting – Voorzitter huisartsenvleugel

1/4/2011

 

[1] Als de derdebetalersregeling voor één van de twee verstrekkingen (102771 en 102xxx) wordt toegepast moet het ook (vanaf 01 april 2011) voor de raadpleging of bezoek tijdens dewelke de patiënt aan zijn arts verzoekt om zijn GMD te beheren of met zijn arts de preventiemodule doorloopt. Het is dus niet meer vereist dat de verstrekkingen op aparte getuigschriften worden geattesteerd.

 


2026.048

Nieuwe vergoedingsregels bij radiofrequente ablatie van schildklierpathologie

 

Op 4 mei 2026 werd een Ministerieel Besluit gepubliceerd i.v.m. de tegemoetkoming voor invasieve hulpmiddelen bij radiofrequente ablatie van schildklierpathologie.

Het besluit bevat criteria die gelden voor de verplegingsinrichting, voor de patiënt en voor het hulpmiddel zelf.

Daarnaast bevat het regels over de attestering en de aanvraagprocedure.

Het besluit is in voege getreden op 1 april 2026. 

In de pdf als bijlage bij dit bericht vindt u de tekst ervan. 

2026.047

Nieuwe nomenclatuur i.v.m. spirometrie en ergospirometrie vanaf 1 juni 2026

 

Op 30 april 2026 werd een KB met besparingsmaatregelen i.v.m. spirometrie en ergospirometrie gepubliceerd.

Aanleiding was de vaststelling door de DGEC van een reeks niet-conforme aanrekeningen en cumuls (waarover ook heel wat discussie bestond).

Het Kartel heeft de aandacht gevestigd op de onderwaardering van de ergospirometrie en vroeg daarvoor een beperkt bijkomend budget in de behoeftenfiches voor 2026 (zie wordfile als bijlage bij dit bericht). 

We werden daarin echter niet gevolgd door de andere partners.

 

2026.046

Gewijzigde toepassingsregel in de klinische biologie vanaf 1 juni 2026

 

Op 30 april 2026 werd een KB gepubliceerd over een gewijzigde toepassingsregel in de nomenclatuur klinische biologie die in voege zal treden op 1 juni 2026.

Het gaat om de schrapping van de verstrekking 552016-552020 uit het cumulverbod van de verstrekking 557314-557325.

  • * 552016 552020 Opzoeken van infectieuze agentia met een immunologische techniek
  • * 557314 557325 Opsporen van minstens het SARS-CoV-2 virus door middel van een techniek van moleculaire amplificatie