*Gemengde honorering.
Het ASGB is voorstander van
een gemengde financiering d.w.z. deels per prestatie, deels forfaitair. In het
bijzonder voor de huisartsen wensen we naast de betaling per prestatie een
hogere vergoeding voor het beheer van het GMD (in een eerste stap tot 30€ en
tot 75€ voor patiënten in een zorgtraject), en de verdere ontwikkeling van de
praktijktoelage voor alle praktijkvormen. De Bvas is
naar eigen zeggen allergisch voor forfaitaire vergoedingen en zweert bij
loutere prestatiebetaling. Dr. Roels heeft dit recent
in de medische pers nog uiteengezet.
In de ziekenhuizen noopten de
alsmaar duurdere hoogtechnologische investeringen tot alsmaar meer prestaties
om deze apparatuur af te schrijven en om nieuwe middelen voor latere investeringen
te genereren. Een aantal zorgverstrekkers kon redelijk ongestoord dit systeem
maximaal benutten. Zo ontstond een onhoudbare uitgavenspiraal die meer en meer
in botsing kwam met de budgettaire beperkingen. Op de ongebreidelde evolutie
van de prestaties reageerde de overheid vaak al even kortzichtig met lineaire
tariefreducties of met indexinleveringen. Had men (de artsen) deze evolutie
tijdig onderkend en er gepast op geanticipeerd en gereageerd, in plaats van
verkrampt defensief het accent te blijven leggen op de totale vrijheid, dan had
de huisartsgeneeskunde er vandaag beter voorgestaan.
Het inkomen van huisartsen
was tot voor kort bijna exclusief afhankelijk van het aantal patiëntencontacten (P1). Een
gestabiliseerde hypertensiepatiënt eens om de vier maanden terugzien in plaats
van maandelijks vraagt meer administratief werk maar herleidt het inkomen tot
een kwart. Uitsluitende prestatiebetaling is zeker geen garantie voor
kwaliteit. Met forfaitaire honoraria kunnen diensten betaald worden die geen
rechtstreekse binding hebben met een prestatie. Voorbeelden hiervan zijn het
opvolgen en het beheer van het globaal medisch dossier, de organisatie van de
preventie, het onderhouden van contacten met de andere echelons, navorming, het multidisciplinaire overleg.
Bovendien heeft o.m. de exclusieve
prestatiebetaling voor de huisartsen geleid tot een steeds groter wordende
inkomenskloof met de meer technische disciplines. Tenslotte,
is vastgesteld dat de opwaardering van de prestaties – ook al wordt de terugbetaling
aangepast – drukt op het volume. Door sommige patiënten wordt de prijs als te
hoog gepercipieerd en wordt zorg uitgesteld of geschrapt. De vrije val van het
aantal huisbezoeken illustreert dit.
Het GMD (P2) was een eerste belangrijke stap naar gemengde honorering.
Het vormt nu al een substantieel deel van het huisartseninkomen dat voor het
ASGB nog verder moet ontwikkeld worden. De derde pijler, waartoe al een
schuchtere aanzet is gegeven met het GMD-forfait en
het EMD-forfait, moet nog uitgebouwd worden tot een
heuse praktijktoelage (P3). Een
vergoeding voor vaste kosten, praktijkhulp en samenwerking is nodig om het
sociale en familiale leven van de huisarts te respecteren. Jonge huisartsen
eisen terecht maatregelen om het beroep maatschappelijk leefbaar te maken. We
zijn dan ook zeer tevreden dat de eerste fase van het Impulsfonds ten gunste
van beginnende huisartsen dank zij het ASGB verworven is. De tweede stap voor de
al gevestigde praktijken moet nu onverwijld volgen. We
wensen in een eerste stap aan elke huisarts, ongeacht de wijze van
praktijkvoering, een forfait toe te kennen voor een praktijkassistente. Alleen met
administratieve hulp kan de huisarts zich ten volle toeleggen op het medische
werk (zie ons concreet uitgewerkt voorstel op www.asgb.be)
De Bvas
wenst voor 2007 alle eventuele nieuwe middelen te besteden aan de verhoging van
de avondraadpleging. Volgens hun ramingen zou liefst 30% van alle raadplegingen
’s avonds gebeuren. Dit wil concreet zeggen dat alle beschikbare middelen voorbehouden
worden voor avondwerk. Dergelijke maatregel is weinig gezinsvriendelijk, het
ASGB vindt niet dat het avondwerk van de vele (vrouwelijke) huisartsen moet
gestimuleerd worden. Bovendien krijgen de patiënten het verkeerde signaal dat
de huisarts zonder gegronde reden op elk ogenblik beschikbaar is, het
ziekenfonds betaalt toch.
Het ASGB verkiest integendeel
dat de permanentie verzekerd wordt door samenwerkingsverbanden en vraagt hiervoor
financiële stimuli. Zo moet de avondraadpleging
ter gelegenheid van een georganiseerde wachtdienst met eenzelfde
multiplicator verhoogd worden als de huisbezoeken ’s avonds. Elke huisarts is overigens
vrij om zijn raadplegingsuren te kiezen. Wenst hij om
welke reden dan ook ’s avonds patiënten na afspraak te ontvangen, dan is hij ook
volledig vrij om een hoger honorarium te vragen. Hiervoor moet geen
nomenclatuurwijziging ingevoerd worden.
We wensen, conform het
eindrapport van de werkgroep spoed-urgentiegeneeskunde, een uitbreiding van het
disponibiliteitshonorarium tot gans
de week voor die kringen die een weekwacht wensen te organiseren.
Ook voor specialisten is een gemengde honorering in vele gevallen te
verkiezen. Indien wordt vastgesteld dat kleine, niet-invasieve
technische prestaties overgebruikt worden en aanleiding
geven tot consumptieverschillen tussen regio’s of tussen ziekenhuizen dan
kunnen die beter in het basishonorarium geïntegreerd worden. Het 'in
behandeling nemen' van een (chronische) patiënt moet meer gehonoreerd worden
dan het uitvoeren van afzonderlijke technische akten. In de klinische biologie
maakt het forfaitair honorarium al 75% uit van het
totaal, in de medische beeldvorming +/- 30%. Door het verzet tegen forfaitaire
honorering is destijds de diabetesconventie volledig los van de honoraria ontwikkeld.
Voor het ASGB ware het beter geweest dat de verantwoordelijke arts de volledige
beschikking over deze vergoeding zou gekregen hebben. In de intensieve zorg
wordt de niet-invasieve beademing niet vergoed wegens
angst voor budgettaire ontsporing. Het lijkt ons dan logischer om een
forfaitair toezichthonorarium in te voeren waarin deze (en ev. andere)
prestaties inbegrepen zijn. Indien de cardiologen bv. destijds tijdig de
uitgaven voor fono- en vectocardiogram
hadden geïncorporeerd in hun raadplegingshonorarium zoals door ons voorgesteld,
dan hadden zij dit budget wellicht kunnen behouden terwijl het nu door het
steriele verzet van de Bvas volledig verloren is.
Op geen enkele manier heeft
een forfaitair honorarium iets te maken met een bediendenstatuut.
Natuurlijk zijn wij ook niet
blind voor de potentiële problemen van een ondoordachte forfaitarisering.
Onderconsumptie kan bv. een gevolg zijn. Elk systeem heeft zijn voor- en
nadelen, in elk systeem zijn misbruiken mogelijk. Een gemengd
honoreringssysteem beantwoordt volgens ons het best aan de doelstellingen. De
arts die vandaag om louter ideologische redenen hardnekkig de prestatiebetaling
blijft verdedigen snijdt in eigen vlees.
Een goed inkomen of een prestatiegebonden inkomen?
Waar ligt úw prioriteit?