*Het ASGB wil het RIZIV-sociaal statuut voor geconventioneerde artsen aanzienlijk optrekken. De BVAS
verzet zich hiertegen.
Aan dit sociaal
statuut wordt door de 85% geconventioneerde artsen
zeer veel belang gehecht. Een werkgroep
o.l.v. Dr. Milan Roex kreeg in de vorige conventie de
opdracht om het sociaal statuut door te lichten, te
actualiseren en zo mogelijk te verbeteren.
Het sociaal statuut
heeft een dubbel doel: een begin van eigen sociale beveiliging aan de
zorgverstrekker te bieden, in ruil voor tariefzekerheid voor de patiënten. Patiënten
die zich voor hun medische zorg wenden tot geconventioneerde artsen genieten van vaste, overeengekomen
tarieven. De remgelden zijn beperkt en vooraf gekend.
Voor artsen betekent dit een potentieel inkomensverlies. Artsen die de
tariefovereenkomst aanvaarden ontvangen van de overheid een forfaitair bedrag
dat verplicht moet benut worden voor de eigen sociale bescherming. Omdat het
toegekende bedrag voor alle artsen gelijk is, onafhankelijk van de
praktijkomvang, betekent dit eveneens een vorm van solidarisering
onder de artsen.
Een gevolg is ook dat slechts
een volledige aanspraak op het sociaal statuut kan
gemaakt worden indien de verstrekker medische prestaties levert, waarbij die tariefzekerheid
met de daaruit voorvloeiende potentiële inkomensmatiging, effectief wordt
gewaarborgd. Collega’s die volledig buiten de RIZIV-nomenclatuur
actief zijn leveren deze prestaties niet.
Het ASGB-voorstel tot administratieve vereenvoudiging bij de
aanvraag en de toekenning van het sociaal statuut werd
door de medicomut aanvaard. Het ASGB bedong ook een versnelde betaling, ten
laatste op 15 januari volgend op het betrokken kalenderjaar en met
nalatigheidinteresten zodat er een duidelijk verband blijft tussen de geleverde
tariefzekerheid en het compenserende sociaal statuut. Hoewel
deze procedurewijziging in de voltallige medicomut éénparig werd goedgekeurd,
en deel uitmaakt van het door de Minister van Sociale Zaken bekrachtigde
akkoord, blijft de overheid tot op heden in gebreke met de
uitvoeringsbesluiten.
Concreet wenst het ASGB een
sociale beveiliging voor de artsen van hetzelfde niveau als die van een
geneesheerambtenaar. Het ASGB berekende dat hiervoor jaarlijks 5.401€ vereist
is, wat bevestigd werd door de mutualiteiten en de RIZIV-administratie.
Dit bedrag zal zelfs nog moeten verhoogd worden na toepassing van de geactualiseerde
sterftetafels. Sommigen beweren dat dit bedrag te hoog is en een deconventie de facto onmogelijk
maakt. Toch vertegenwoordigt dit bedrag maar 1€ per prestatie voor een huisarts
met 5.500 patiëntencontacten per jaar.
Voor GSO vragen we een verdubbeling van het RIZIV-sociaal
statuut als compensatie voor hun onvolledig
bediendestatuut. Vermits de meeste GSO later toch
zelfstandige worden is dit nuttiger dan de uitbreiding van hun bediendestatuut.
Ook voor zwangere vrouwelijke collega’s zou
het RIZIV-sociaal statuut moeten worden
opgewaardeerd. Vrouwelijke zelfstandige artsen
zijn vrijwel verplicht om hun bevallingsverlof te beperken tot een viertal
weken wat medisch quasi onverantwoord is. Een hogere financiële tegemoetkoming
zou hen toelaten om voor aan wat langere periode een vervanger te zoeken.
Het is dan ook pijnlijk om
vast te stellen dat artsen die vrij hun honoraria bepalen het hun geconventioneerde collega’s niet eens gunnen dat zij
behoorlijk sociaal beveiligd zouden worden. Een studie van het ASGB over een
periode van 25 jaar toont bovendien aan dat het bedrag van het sociaal statuut de evolutie van de honoraria niet verhinderd
heeft, eerder integendeel. Bij de aanvaarding van een akkoord moet elke arts
het deel nomenclatuur en het deel sociaal statuut tesamen
beoordelen.
De populistische roep naar
een sociaal statuut buiten de conventie klinkt geregeld maar werd nog nooit
concreet onderbouwd. Elk becijferd voorstel waarbij (huis)artsen voordeel
zouden doen, zullen wij toejuichen en onmiddellijk ondersteunen. Het is echter
politiek ondenkbaar dat een systeem zou gecreëerd worden voor artsen alleen,
los van de andere zelfstandigen (advocaten, slagers, bakkers en kappers…). Het
is dan wel overduidelijk dat (huis)artsen met hun transparante inkomen een
systeem zullen spijzen waarvan andere zelfstandigen met verborgen inkomsten met
een minimale eigen bijdrage volop zullen genieten.